Ongeluk

Opeens was ik van dichtbij getuige van een ongeluk.

We noemen zoiets `een dramatisch moment', maar dat besef je pas achteraf. Op het moment zelf ben je een verstarde toeschouwer die onwillekeurig iets op zijn netvlies vastlegt.

Het gebeurde aan het einde van de middag op de weg die langs de kust van Bloemendaal naar Zandvoort loopt. Even voorbij café-restaurant 't Eindpunt – de naam is niet verzonnen – stond ik te schuilen voor een regenbui. Ik keek afwezig naar de drukke weg en plotseling zag ik dit beeld: een zware motor, komend van links uit de richting Bloemendaal, knalt frontaal op een fietser die uit de tegenovergestelde, Zandvoortse richting komt.

Onderdeel van dit beeld is het onmiddellijke vervolg: de fietser, een man, schiet omhoog, zeilt met een boogje over zijn stuur, en slaat met het hoofd naar beneden tegen de grond.

Dat is alles wat ik nog weet: dit ene moment, uitgehakt uit de tijd en meteen gestold in mijn geheugen. Wat kun je ermee? Toen alles achter de rug was, vroeg ik me af wat mijn getuigenis – ik was een van de weinige getuigen – waard zou zijn voor een rechter. Beschamend weinig, moest ik toegeven.

Het was vijftien meter van me vandaan gebeurd, ik had een vrij blikveld gehad, en toch moest ik op de cruciale vragen het antwoord schuldig blijven.

Hoe hard had die motor bijvoorbeeld gereden? Vijfig, honderd kilometer per uur, of nog harder? Ik dacht eerder vijftig, maar het kon ook veel zachter of harder zijn geweest. Daar kon de rechter dus niets mee.

Veel belangrijker nog was de vraag: wáár reden motor en fiets precies? Langs die autoweg loopt een nogal breed fietspad, alleen bestemd voor fietsers en brommers. Was de motor van de weg afgeweken en op het fietspad terechtgekomen? Of was het andersom: was de fietser zo onvoorzichtig geweest zich op de autoweg te begeven?

De laatste mogelijkheid leek bizar. Welke fietser zou zo roekeloos zijn op zo'n drukke weg te gaan rijden? Maar hoe onaannemelijk ook – het zou kunnen. Als de motorrijder later zou beweren dat hij op de weg had gereden, zou de rechter aan mijn getuigenis weinig houvast hebben. Hij zou de motorrijder vermoedelijk vrijuit moeten laten gaan.

De mens als feilbare, onbetrouwbare waarnemer. Hoe vaak gaat het niet zo?

Maar in dit geval zal het geen consequenties hebben.

De fietser, die gemakkelijk zijn schedelbasis of zijn nek, of beide, had kunnen breken, bleef enkele seconden doodstil op zijn rug liggen. Toen krabbelde hij overeind, alleen wat bloed aan zijn handen. Hij zei niets, negeerde iedereen, inclusief de zeer bezorgde motorrijder, en reed een rondje om zijn fiets te testen. Het resultaat viel mee en hij reed zonder te groeten weg – over het fietspad gelukkig.

Was hij in shock of was hij altijd zo zwijgzaam? Ook dat weet ik niet. De motorrijder werd omhelsd door zijn duopassagier, een meisje. Ze hadden geboft, en dat wisten ze. Ik houd het erop dat ze op het fietspad hadden gereden – misschien wel verblind door hun verliefdheid.

    • Frits Abrahams