Neem nooit een Thug als vriend

Maar een enkele reiziger die in handen viel van de Thugs heeft het er levend van af gebracht. De Thugs vormden een roversvolk dat in groepen van tientallen tot honderden jarenlang door India heeft getrokken. De kreet van een havik of een uil kon hen doen afzien van hun einddoel, de wurging van medereizigers. Maar los van een paar slechte voortekenen kon een Thug zich niet voorstellen dat hij zijn prooi, de niets vermoedende vreemdeling, zou laten gaan. Het was heiligschennis om iemand die door zijn beschermgod Kali op zijn pad was gekomen, in leven te laten.

Het is een verdienste van de Britten in Indië dat ze rond het midden van de negentiende eeuw een eind hebben gemaakt aan de grootschalige, moorddadige praktijken van de Thugs. Eén persoon in het bijzonder komt die eer toe: William Sleeman. Sir William Henry Sleeman (1788-1856) was een beroeps-militair en bestuurder in Brits-Indië. In 1820 zette de vondst op zijn territorium van graven met vermoorde, onbekende mannen hem op het spoor van de Thugs. En enkele tientallen jaren later stonden de laatste Thugs op het schavot.

Het blijft onduidelijk hoe lang de Thugs moordend door India hebben getrokken. In 1672 maakte de Groot Mogol Aurangzeb Alamgir (1618-1707) melding van de executie van enkele Phansigar, roofmoordenaars die met reizigers alleen maar bevriend raakten om hen uiteindelijk met een strop (Phansi) te wurgen. De eerste Britse melding dateert van 1785. Ook over het aantal slachtoffers is weinig met zekerheid te zeggen. Dash houdt het op vijftigduizend mannen, vrouwen en kinderen, op zijn hoogst het dubbele daarvan. Hij verwerpt de aanname van Sleeman dat het om miljoenen slachtoffers gaat.

Dash bestrijdt ook het wijdverbreide idee dat de Thugs doodden om hun god Kali te behagen. Volgens Dash wilden de Thugs, van wie velen moslim waren, al moordend vooral hun inkomen aanvullen. Mannen konden jarenlang op het land werken zonder kwaad aan te richten. Pas in magere jaren gingen ze het moordpad op.

Mike Dash heeft met Thug een prachtig en gedetailleerd, antropologisch portret geschreven van een unieke groep `roofmensen', die zeker niet als een ongeordende bende opereerde. De Thugs hielden er specialisten op na, verkenners bijvoorbeeld die bij grensposten waar reizigers hun bagage moesten tonen naar welgevulde slachtoffers uitkeken. Daar selecteerden ze de meest belovende slachtoffers. En nadat zij ook hun reisroute hadden achterhaald, was het de taak van speciale `verleiders' om hun vertrouwen te winnen. Vooral inheemse soldaten die met hun soldij op zak huiswaarts keerden vormden een makkelijke prooi. Zij waren weliswaar goed bewapend, maar niet bestand tegen de complimenten en vleierijen van de Thugs.

Struikrovers

Onderweg sloten zich andere Thugs bij de reizigers aan, zogenaamd om bescherming te zoeken tegen struikrovers en bandieten. Was de verhouding tussen daders en slachtoffers uiteindelijk overtuigend in het nadeel van de slachtoffers, en dat kon weken duren, dan werden aan de vooravond van de moord de graven gedolven. Een `wurgspecialist' voltrok het vonnis meestal 's avonds. Terwijl het kampvuur brandde en de kookpotten pruttelden naderde het einde in een sfeer van camaraderie.

In het boek staat een verhelderende tekening van een man die op een matje zit. Hij is door een van de Thugs opmerkzaam gemaakt op iets aan de sterrenhemel en staart omhoog. Achter hem staat iemand klaar met de `rumal', een sjaal waaraan een knoop is gemaakt om hem beter om de hals van het slachtoffer te kunnen aan trekken. Andere Thugs zitten klaar om armen en benen vast te grijpen wanneer de rumal over zijn hoofd wordt geworpen.

Zodra het slachtoffer dood was, werden hem alle waardevolle spullen afgenomen. Vervolgens werd zijn buik opengesneden, een voorzorgsmaatregel om te voorkomen dat de gassen van het ontbindingsproces het lijk zouden doen opzwellen en de begraafplaats zouden verstoren. Ook stak men een dolk in de ogen van het slachtoffer om er zeker van te zijn dat hij dood was. Daarna werd hij naar de `beles' gebracht, het voor hem gegraven graf. Bij de zogeheten water-Thugs bleef de beles uiteraard achterwege.

Kroongetuigen

Sleeman zag zich voor een schier onoplosbaar probleem gesteld toen hem aard en omvang van de Thugs-praktijken duidelijk werden. Een van de problemen was dat bij de vondst van het lijk de daders zich allang hadden verspreid en vele dagmarsen waren verwijderd van de plaats van het delict. Een ander obstakel was het feit dat de identiteit van het slachtoffer meestal onbekend was.

Dit roofvolk kon worden ontmanteld door een systeem van kroongetuigen. Deze `approvers' zoals zij werden genoemd, kregen strafverzachting op voorwaarde dat zij aan de opsporingsambtenaren van Sleeman alles opbiechtten over hun daden en die van hun mededaders. Door hun gedetailleerde verhalen bouwde Sleeman een gigantisch feitenrelaas op, op basis waarvan honderden Thugs konden worden berecht.

Thugs kwamen uit alle delen van India. Er waren Thugs die behoorden tot de kaste der Brahmanen en er waren onaanraakbaren die de wurgsjaal hanteerden. Zoals gezegd konden Thugs moslim zijn, maar ook wel hindoe. Op hun roof- en moordtochten herkenden de verschillende groepen elkaar aan bepaalde woorden en gebaren. Onderweg werden ad hoc coalities gesloten, plannen beraamd en taken verdeeld. Thugs waren met elkaar verbonden door een besef van eenheid en beleden een cultureel egalitarisme, waar latere voorvechters van een zelfstandig India alleen van konden dromen. Het is een aardige ironie dat het `Thuggy Department' van Sleeman uitgroeide tot een echte professionele politiemacht. En later, toen het Thug-probleem was opgelost, tot een inlichtingendienst die Indiase nationalisten in de gaten hield.

Mike Dash: Thug. The true story of India's murderous cult. Granta, 400 blz. €40,–