Laat het haastwerk varen

Ooit ben ik gestopt met de studie westerse sociologie om Tsjechov in de oorspronkelijke taal te leren lezen. Niet omdat de bestaande vertalingen zo slecht waren, wél omdat die mij een grote liefde voor de schrijver hadden bijgebracht. Wat een heerlijke treurigheid in die verhalen! Wat lag het geluk voor het grijpen, maar wat bleef het toch onbereikbaar! Of die studie-wending verstandig was, weet ik niet, maar de liefde voor Tsjechov is altijd gebleven.

De verhalen uit de onlangs verschenen tweede bundel van de opnieuw vertaalde verzamelde werken in Van Oorschots Russische bibliotheek behoren nog steeds tot het jeugdwerk en dateren goeddeels van vóór de befaamde brief die Tsjechov, toen 25, in april 1886 van een oudere collega ontving, met daarin de passage: `Ik weet zeker dat u geroepen bent enkele voortreffelijke, echte kunstwerken te schrijven. U begaat een grote morele zonde als u deze verwachtingen niet waarmaakt. Wat daarvoor nodig is, is dit: achting voor een talent dat zo zelden gegeven wordt. Laat het haastwerk varen.'

Dat laatste advies legde Tsjechov terzijde: deze bundel bevat de 84 verhalen uit 1885-1886 die hij zelf voor zijn verzameld werk selecteerde, aangevuld met zeven afdankertjes, gekozen door de vertalers Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel. En er waren nogal wat afdankertjes. In twee jaar tijd schreef en publiceerde Tsjechov maar liefst 220 verhalen, gemiddeld twee per week.

Het gebeurt niet vaak dat een hele schrijver wordt `overgedaan', en dat bij dezelfde uitgever. Dan moet er toch iets grondig mis zijn met de oude vertaling. En dat is ook zo: de bezwaren tegen het werk van Charles B. Timmer zijn bekend: hij is te vrij en te wijdlopig. Een telling bewijst dat laatste: het origineel van het verhaal `Een gebeurtenis' telt 1.470 woorden, Timmer gebruikt er 2.256 (ruim vijftig procent meer), de nieuwe vertalers gebruiken er 1.803 (zo'n twintig procent meer). En daar zijn 194 lidwoorden bij, die Tsjechov niet nodig had.

Deze zuinigheid is de trio-vertaling niet ten goede gekomen. Van de warme gezelligheid die Timmers tekst aankleeft, is weinig terug te vinden. De drie hebben zich in zo'n strak en bondig keurslijf geperst dat er weinig ruimte is overgebleven voor schoonheid en echt Nederlands. Er lijkt zo veel afstand van Timmer te zijn genomen dat het andere eind van het spectrum is bereikt: met een vertaling die kil en ongezellig is, die wel een podstrotsjnik lijkt, de letterlijke vertaling van een brontaalkenner op basis waarvan de schrijver zijn vertaling maakt. Hebben de drie, stuk voor stuk gelouterde vertalers, elkaar in een wurgende, tijdrovende houdgreep gehouden die geen enkele bewegingsvrijheid toestond. Was het haastwerk?

Pasgeboren katjes

Neem `Een gebeurtenis', een hartverscheurend verhaal over een hond die alle pasgeboren katjes opvreet voor kleine Vanja en Nina ze veilig op hun slaapkamer kunnen zetten. Tsjechovs opening kan niet korter: `Oetro'. Dat betekent `ochtend'. Het trio kiest voor `Een morgen.' Kort, maar dubieus. Timmer doet `Het is ochtend.' De helft langer dan zijn opvolgers en drie keer zo lang als Tsjechov, maar wel de beste oplossing. De zon schijnt de kinderslaapkamer binnen, broer en zus hebben geen zin om op te staan en willen gaan zeuren. Dan horen ze moeder tegen hun juf zeggen dat zij de poes melk moet geven `nu ze jongen heeft.' Het jongetje Vanja komt met een aardige vertaalklus. Hij zegt namelijk zoiets als dat `poes puppies heeft', hij gebruikt althans een werkwoord dat alleen voor barende wolven en honden opgaat. Timmer negeert Vanja's deftige fout en zegt gewoon:`Poes heeft jongen!' Kort maar krachtig. De nieuwe drie schrijven: `De poes heeft jongens!' De `fout' is gesignaleerd en `gehonoreerd', maar hoe.

Een vertaler moet niet alleen de brontaal demonteren, maar het liefst ook iets zinnigs in de doeltaal fabriceren, in dit geval dus een zin die uit de mond van een Nederlandse kleuter van vier zou kunnen komen. `Poes heeft baby'tjes!' bijvoorbeeld, of die `puppies'. En een poes zónder lidwoord is ook veel aandoenlijker dan mét. Enfin, de fraai begonnen dag loopt heel lelijk af. Vader vindt het jonge dierengrut maar `viezigheid' die hij het liefst in de `afvalput' zou gooien. Zijn kinderen weten dat te voorkomen en willen graag dat poes een man en zijn kleintjes ook een vader hebben. Dat wordt een oud speelgoedpaard tot oom Petroesja op visite komt, en: `Met hem verschijnt ook Nero, een grote zwarte hond van een Deens ras met hangoren en een staart zo hard als een stok.' Hij vreet de poesjes meteen op en geen van de volwassenen vindt het erg. Integendeel: `Verontrust is alleen de poes.' En de kinderen, getuige de slotzin: `Vanja en Nina gaan naar bed, huilen en denken nog lang aan de gekrenkte poes en de wrede, brutale, onbestrafte Nero.'

Kwakkelen

Alle hierboven uit de nieuwe vertaling geciteerde zinnen vind ik lelijk. En de bundel wemelt van zulke zinnen. Een kleine bloemlezing, kriskras uit het boek: `Het gezicht van schoonmoeder vertoont zoals gewoonlijk botte zorgelijkheid en een waardige uitdrukking. Nadja, mager en al verwelkend, maar nog wel met haar ideaal-blanke, doorschijnende huidje, zit aan tafel alsof ze daartoe met geweld is gedwongen; ze eet niets en doet of ze ziek is.' [...] `,,Hoe komt u erbij te kwakkelen, engel?'' kakelde hij, zijn neus vol rimpels trekkend. ,,Ai, ai! Hoe kan iemand met uw complexie nu kwakkelen? Schaam u, schaam u.'' ' [...] `Makarjevna slaakt zuchten en fluistert iets terwijl ze inademt, Mitka met zijn ongelukkige armpje is met zijn gedachten ver weg.' [...] `De sombere ramen en muren, de stem van de griffier, de pose van de officier van justitie – dat alles was doordrenkt van kanselarij-onverschilligheid en kou, net alsof een moordenaar een normale kantoorbenodigdheid was, net of geen levende mensen hem berechtten, maar een of ander onzichtbaar, God mag weten door wie opgewonden machientje...'

Het probleem is overal hetzelfde: de lezer leest Russisch in een Nederlandse vermomming. Er is meer jammerlijks: een paard heeft een kop en poten, pannenkoeken missen een letter (wat halsstarrig die Van Oorschot) en de talloze sprekende eigennamen blijven onvertaald en onverklaard (zo heet de bassist uit `Romance met contrabas': Strijkstok)

En het ligt niet aan Tsjechov: zo'n `Romance' staat als een huis. Een jonge vrouw gaat op de zwoele dag van haar verloving uit vissen. Een contrabassist, op weg om op haar feestje te spelen, neemt even een frisse duik en slaat haar bewonderend gade. Eerst worden zijn kleren gestolen, daarna de hare, allemaal. Ze treffen elkaar gegeneerd onder een bruggetje. De muzikant stopt de jonge vrouw in de hoes van zijn bas, ziet opeens de dieven en gaat achter ze aan. Zijn collega's (fluit en klarinet) vinden de hoes en zeulen die mee naar het feest... Een verhaal vol slapstick en mythische trekjes. Zo zou een `naakte, harige man met een hoge hoed op' 's nachts nog jarenlang `vanonder het bruggetje het gekras van een contrabas' hebben laten opklinken. Als Tsjechov hier haastwerk levert, dan toch van de bovenste plank. Volgens een stramien dat hij telkens hanteert: een gekke situatie die nog gekker uitpakt. Altijd humoristisch, soms angstaanjagend, badinerend of diepzinnig. Prozasketches.

De conclusie is triest. Lezing van deze bundel leverde veel ergernis op, een gevoel dat meteen verdween als het origineel er weer eens even bijgehaald werd. Ik ben bang dat ik door deze bundel nooit Russisch zou zijn gaan studeren.

Anton Tsjechov: Verzamelde verhalen 2, 1885-1886. Uit het Russisch vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel G.A. van Oorschot, 597 blz. €39,–

    • Arie van der Ent