Knippen als kunst

Haarverzorger Pasquale, wereldberoemd in Amsterdam, viert morgen zijn veertigjarig jubileum. Al die tijd werkte hij volgens het devies: ,,Een kapper is een kunstenaar.''

Waarom heeft een man ,,geen onsje dure bonbons nodig''? Waarom moet een nieuw jasje ,,hem worden opgedrongen''? En waarom eigenlijk worden de boeken die hij zou moeten lezen, ,,door zijn vrouw aangeschaft''?

Aldus de prangende vragen waarop het Algemeen Handelsblad op 17 september 1965 antwoord gaf. Onder de kop `Voor u mevrouw, in de herensalon' gaf een vrouwelijke redacteur de mannengeheimen prijs: ,,Niets, zelfs geen bos gloeiend gekleurde dahlia's op zijn bureau, kan immers opwegen tegen de koestering die zijn persoonlijke vriend, zijn KAPPER, uitstraalt zodra hij in hemdsmouwen op diens stoel heeft plaatsgenomen.''

Het artikel verscheen kort na de opening van Bagijnhof, de kapperszaak in de Amsterdamse Begijnensteeg van de Nederlander Henk Laduc en de Italiaan Pasquale Capone. In de veertig jaren die sindsdien zijn verstreken, lijkt de bewering van de Algemeen Handelsblad-redactrice te zijn uitgekomen: de kapperszaak – na het vertrek van Laduc omgedoopt tot Figaro Pasquale, een verwijzing naar de barbier (`figaro') in Beaumarchais' opera Le barbier de Seville – werd wereldberoemd in heel Amsterdam. In de piepkleine zaak, verborgen in een steegje tussen de overvolle Kalverstraat en het rustieke Begijnhof, nam Capone de afgelopen decennia de haren van grachtengordelbewoners als Hans van Mierlo en Harry Mulisch onder handen. Morgen viert Pasquale zijn veertigjarig jubileum.

In zijn zaak – zwartlederen kappersstoelen, bruine linoleumvloer en crèmekleurige wanden – bewaart Pasquale een map met vergeelde krantenknipsels over zijn zaak. Een foto toont de jonge Hans van Mierlo tijdens diens beroemde, op televisie uitgezonden wandeling over de Amsterdamse grachten in 1967 waarin hij namens D'66 hardop van een democratischer Nederland droomt. ,,Zijn haar is toen door mij gedaan'', grijnst Capone.

De lijst van voorname `pasqualisten' is lang. Ook Louis van Dijk, Johan Cruijff en Martin Simek lieten hun kapsel door Capone kortwieken. De trouwe kijker van de misdaadserie Baantjer kent Figaro Pasquale van de aftiteling: op advies van trouwe bezoeker Piet Römer, alias rechercheur De Cock, worden figuranten naar de Italiaanse barbier gestuurd.

Pasquale Capone – ,,natuurlijk ben ik familie van Al'' – zingt de lof van het ,,ambacht'' dat hij uitoefent. ,,Een kapper is een kunstenaar'', luidt al veertig jaar zijn devies – en wee degene die het waagt te vragen naar het aantal hoofden dat hij knipt: ,,`Knippen' klinkt naar castreren!'', vermaant hij, ,,Ik verzorg het haar.'' Vijf klanten – correctie: ,,gasten'' – kunnen op doordeweekse dagen tussen twaalf en vijf bij hem terecht. Slechts één bezoeker per uur dus, want de gast vertrekt niet voordat hij twee glazen witte wijn en drie plateaus toast met zelfgemaakte pesto heeft genuttigd.

Vier jaar voordat hij in de Begijnensteeg begon, in 1961, kwam Pasquale naar Nederland. Hij volgde zijn toenmalige vriendin toen zij besloot om hierheen te komen; ze was immers ,,mooi als Jeanne Moreau''. Na vier jaar in dienst bij een andere kapper betrok Pasquale zijn eigen ruimte in de Begijnensteeg, en ontstond een grote liefde voor de hoofdstad. ,,Amsterdam is de mooiste stad buiten Italië.''

Niet alleen wisten vele Amsterdamse coryfeeën de weg naar zijn zaak te vinden, ook klopte in 1998 de gemeente aan de deur. In dat jaar werd Pasquale onderscheiden met de Silveren Besem voor `de schoonste stoep van Amsterdam'. ,,Ik voel mij verplicht om voor Amsterdam te zorgen'', zegt de kapper met twee handen op de borst gedrukt, ,,Amsterdam is er voor iedereen''.

Morgen opent Piet Römer ter gelegenheid van Capone's jubileum een foto-expositie. Nu al worden de muren opgesierd door de foto's, met daarop de meest uiteenlopende ambachtslieden – van een vioolmaker en pianostemmer tot een boekbinder en houtbewerker. ,,Om de Amsterdammers te bedanken dat ze mij hebben geadopteerd'', zegt Pasquale. Hoewel hij inmiddels 71 jaar is, zegt hij voorlopig door te gaan met ,,verzorgen''. Hij moet wel: een pensioen heeft hij niet, zijn twee kinderen hebben een andere richting gekozen en verder heeft niemand zich aangediend. ,,Nu zou ik zelfs een vrouw de herensalon laten overnemen.''

Niet iedere bezoeker in de afgelopen veertig jaar was tevreden. Pasquale laat het artikel van ,,die Alkemeene Haandelsblad'' uit 1965 nog eens zien. Helemaal aan het einde wordt daar uit zijn mond opgetekend: ,,Toen ik pas in Nederland was, kreeg ik eens een heer onder het mes die zei: `Knipt u goed, vanavond kijken zeven miljoen mensen naar mij.' Ik vroeg: `Wie bent u dan?' En hij: `Kent u mij niet? Iedereen kent mij. Ik ben G.B.J. Hiltermann.' Met mijn hand op mijn hart heb ik toen gezegd: `Mijnheer, ik heb u nooite gezien en nooite gehoord.' En hij is nooite meere teruggeweest.''

    • Mark Schenkel