Godzijdank negatief

Het reizen en het onderweg zijn vormen een belangrijk thema in het werk van de Duitse schrijver Hans Pleschinski (1956). Zijn nu vertaalde autobiografische roman Portret van een onzichtbare, drie jaar geleden lovend ontvangen door de Duitse kritiek, vormt hierop geen uitzondering – al speelt het boek zich voor een belangrijk deel in München af. Pleschinski schetst in de ikvorm het portret van zijn levensgezel Volkert, een intellectueel en estheet die vlak voor de eeuwwisseling aan aids is overleden. Volkert was galeriehouder en schrijver in München, een kunstgevoelige bohémien die Wittgenstein, Musil en Beckett tot zijn huisgoden rekende. Bijna een kwart eeuw leefden Volkert en de zeventien jaar jongere verteller samen, waarbij vooral de laatste zich menig internationaal slippertje veroorloofde.

In zijn beste delen doet Portret van een onzichtbare aan een ontwikkelingsroman denken. Beide protagonisten zijn afkomstig uit eenvoudige milieus in de provincie, en vooral Volkert – hij verbleef in een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen – heeft diverse littekens aan zijn jeugd overgehouden. Hun Werdegang wordt door Pleschinski overtuigend geschilderd. In de jaren zeventig studeerde de verteller theater- en literatuurwetenschap en werd hij compagnon van Volkert. Grote delen van de roman vormen een terugblik op deze fase, op het studentenleven in München en de wereld van promiscue homoseksuelen. In de jaren tachtig en negentig sloeg de angst voor aids toe. `Michael, Jörg, Roland, Wolfgang uit Ingolstadt, het verval kwam steeds dichterbij.' Ook de verteller vreest dat hij besmet is. Als het onderzoek gunstig uitvalt volgt een hilarische, camp-achtige scène. Op de delicatessenafdeling van een warenhuis doet hij zich `tot sluitingstijd' te goed aan truffelpatés, kaviaar, kreeftenstaarten en champagne.

Portret van een onzichtbare vormt een merkwaardige mengeling van vitaliteit en verval – regelmatig moest ik denken aan het werk van Klaus Mann, vooral aan diens dagboeken. Pleschinski springt van de hak op de tak en houdt zich nergens aan de chronologie, zijn stijl is soms ronduit gemakzuchtig. Deze roman maakt een rommelige en ongestructureerde indruk, wat ook wel de bedoeling van de schrijver zal zijn geweest. `In kunstvaardige teksten heb ik geen zin,' stelt hij ergens koket. Anderzijds schept hij graag op met zijn kennis van literatuur, muziek of kunstgeschiedenis; tientallen of misschien wel honderden namen van schrijvers, filosofen en andere beroemdheden komen aan bod. Maar het is niet meer dan name dropping en snoeverij. Hetzelfde geldt voor de politiek en de recente geschiedenis. Praktisch alle Duitse ontwikkelingen sinds het tijdperk Willy Brandt passeren de revue. Maar het blijft oppervlakkig, tot een originele visie of interessante overweging komt Pleschinski zelden.

Hans Pleschinski: Portret van een onzichtbare. Uit het Duits vertaald door Jan Gielkens. Atlas, 256 blz. €24,90

    • Wil Rouleaux