Gebruik je verbeeldingskracht

Shakespeare is het best gediend met een levendige, energieke en frisse interpretatie van zijn teksten. Met een exacte vertaling van de brontekst wordt aan de kracht van zijn woorden alleen maar voorbijgegaan.

Twee weken geleden publiceerde het Cultureel Supplement een interview met Shakespeare-vertaler Jan Jonk. Jonk is al zo'n dertig jaar bezig met het vertalen van het volledige werk van Shakespeare en is nu bijna klaar. Blijkens het interview heeft hij stevige ideeën over vertalen. Eerdere Shakespeare-vertalers beschikken volgens hem niet over historische kennis van het Engels van Shakespeares tijd. Jonk ziet zijn eigen vertalingen als een zuivere weergave van Shakespeares bedoelingen omdat hij zich streng aan de vorm en klank van Shakespeares teksten houdt.

Voor iemand met zulke ferme opvattingen laat Jonk wel veel steken vallen. Zo stelt hij als vertaling van de beroemde openingsregel uit Driekoningenavond `If music be the food of love' o.a. het volgende voor: `Als Minnezang zich met Muziek verstaat.' Hij verdedigt dit met een vergelijkbare regel uit een ander Shakespeare-gedicht dat te vinden is in The Passionate Pilgrim (1599): `If music and sweet poetry agree.' Jonk ziet echter over het hoofd dat het gedicht in kwestie (nummer 8) niet door Shakespeare is geschreven, maar door zijn tijdgenoot Richard Barnfield (1574-1620). De niet al te gewetensvolle uitgever van The Passionate Pilgrim, William Jaggard, heeft dit gedicht doodleuk als een werkje van Shakespeare aan de man gebracht.

Jonks uitspraken over het vroegmoderne Engels wekken ook verwondering. Zo stelt hij dat in Shakespeares tijd het begrip `seconde' als tijdseenheid niet bestond, en dat de minuut de kortste tijdspanne was. De Oxford English Dictionary citeert echter een tekst uit 1588 waarin staat dat de zon `365 dayes 5 houris 10 min: and 16 Secondis' nodig heeft om rond de aarde te draaien. De betekenis van `second' in Shakespeares tijd ligt dus op zijn minst genuanceerder. Jonks gebruik om minute altijd met `seconde' te vertalen is dan ook ongelukkig. Als Puck in Een Midzomernachtsdroom zegt `I'll put a girdle round about the earth/ in forty minutes', bedoelt hij dat hij wel even bezig zal zijn met rond de wereld vliegen. `Forty' betekent hier namelijk zoiets als het Nederlandse `tig': een willekeurig groot aantal. De vertaling `veertig seconden' is niet op zijn plaats omdat dat een veel te korte tijdsspanne is.

Ook betekende volgens Jonk het woord `sweet' in Shakespeares tijd nooit `zoet', maar altijd `sexy'. Uitgerekend in een van de vroegste en beroemdste loftuitingen aan het adres van Shakespeare schreef zijn tijdgenoot Francis Meres dat `the sweet witty soul of Ovid lives in mellifluous and honey-tongued Shakespeare, witness ... his sugared sonnets.' De sweetness van Shakespeares poëzie wordt hier met Ovidius vergeleken, en in verband gebracht met honing en suiker; ook het woord `mellifluous' betekent letterlijk 'druipend van de honing'. Je zou `sweet' in dit geval misschien met `zoetgevooisd' kunnen vertalen. Jonks al te categorische uitspraken over historische woordbetekenissen zitten zijn vertalingen in de weg.

Felle ideeën

De wezenlijke vraag die door Jonks felle ideeën en door zijn historische missers wordt opgeroepen, is wat vertalen, als vorm van interculturele communicatie, eigenlijk inhoudt. Is het een kwestie van het vangen van de `ware' Shakespeare, zoals Jonk voorstelt? Zo ja, wat is die ware Shakespeare dan, en wanneer weet je dat je hem te pakken hebt? Of is vertalen ook een daad in en voor het hier en nu; een dialoog met de brontekst, eerder dan een exacte reconstructie ervan?

Het is verleidelijk om in een vertaling absolute prioriteit te verlenen aan vormtechnische zaken, zoals een vijfvoetige jambe, een woordspeling of een fraai binnenrijm. Maar is dat een sluitend criterium voor getrouwheid aan de brontekst? Het is veeleer ook een keuze, die andere, misschien wel even belangrijke aspecten van de brontekst naar de achtergrond schuift. Een woordspeling die in het Engels volkomen natuurlijk is, kan in het Nederlands een gezocht slimmigheidje worden. De vanzelfsprekendheid van de oorspronkelijke tekst gaat dan verloren, en daar helpt geen Shakespeare-getrouw jambisch metrum of rijmschema aan.

Vertalen is altijd tot op zekere hoogte een interpretatie; een 1-op-1-relatie tussen vertaling en origineel is niet mogelijk. Dit gegeven kun je proberen te bezweren; je kunt het ook onderkennen, en zelfs omarmen. Een voorbeeld van iemand die voor het laatste kiest, is Tom Lanoye, auteur van Ten Oorlog (1997), een bewerking van Shakespeares koningsdrama's. Neem zijn vertaling van de proloog van Hendrik de Vijfde, waarin het publiek wordt gevraagd om door middel van zijn verbeeldingskracht de voorstelling in Shakespeares Globe-theater – met zijn beperkte visuele middelen – te laten slagen:

Vergeef mij – lieve, goede vrienden – dat

Mijn doodgewone, onbevlogen geest

Het waagt [Hendriks] grandioos verhaal

te grabbel

Te gooien in dit stoffig dranklokaal

Hoe kan mijn woord zijn heldendaden vatten?

Hoe kunnen Frankrijks weidse vlakten én

Haar alpen, passen tussen twee gordijnen?

Hoe kan een kathedraal uit niets verschijnen,

Hoe pissen duizend paarden in één kamer,

Hoe sterft een leger Fransen in één uur?

En toch. Het kan. Verleen mij uw verbeelding.

Je kunt Lanoyes vertaling eenvoudig afserveren als een respectloze toeëigening van Shakespeare, en dan is dit nog een betrekkelijk tamme passage. Lanoye neemt tal van vrijheden en zit niet in over details. Maar Lanoyes Nederlands sprankelt, vonkt en spettert dat het een aard heeft, en kan probleemloos op zichzelf staan. De vertaling beschrijft ook, net zoals Shakespeare, heel effectief het wonder van de toneelillusie, die zelfs in een `stoffig dranklokaal' (overigens geen gekke omschrijving van een Shakespeareaans theater) kan ontstaan. Door het soepele, natuurlijke Nederlands leent Lanoyes versie zich ook uitstekend voor het toneel, en Shakespeares toneelstukken zijn er om te worden opgevoerd. Hij schreef voor het toneel, en was niet eens geïnteresseerd in het publiceren van zijn toneelwerk.

En misschien is Lanoye juist wel heel getrouw aan Shakespeare, zij het op een heel andere manier dan Jonk. Shakespeares literaire taalgebruik had in zijn eigen tijd geen precedent. Zijn idioom was fris en gedurfd. Hij zat, net als Tom Lanoye, de taal van zijn tijd op de huid, en nam tal van kekke nieuwe woorden en uitdrukkingen op in zijn toneelstukken of verzon ze gewoon zelf. Je kunt ervoor kiezen juist deze kant van Shakespeare te benadrukken en vertalingen te maken die vóór alles levendig, energiek en fris zijn. Het tegenstrijdige is dat je als vertaler alleen recht kunt doen aan dit aspect van Shakespeare door een zekere afstand te nemen van de brontekst; door, net als het publiek van Hendrik de Vijfde, je verbeeldingskracht in te zetten en je rol als interpreet openlijk en als een eretitel te dragen.

Neutraal

Zo bezien is Lanoyes vertaling eigenlijk heel neutraal. Hij neemt dan wel vrijheden, maar schrijft in vakkundige vijfvoetige jamben, en bedenkt schijnbaar terloops het soort van klankspelletjes waar ook Shakespeare verzot op was. Alleen zitten ze bij Lanoye op andere plekken dan bij Shakespeare, en komen de klanken niet precies overeen. Zo zit in `Frankrijks weidse vlakten' een mooie spiegeling van a-ij- en ij-a-klinkers. `Doodgewone, onbevlogen' speelt met `ó' en `ô', en `Hoe pissen duizend paarden in één kamer' is niet alleen metrisch strak, maar bevat ook een effectieve alliteratie. Ook van pis kun je dus poëzie maken, en dat wist Shakespeare maar al te goed. Lanoyes vrolijk-liberale vertaalpoëtica, waarin uiteenlopende taalregisters een plek hebben, en waarin vrijheid en getrouwheid ondogmatisch door elkaar lopen, past misschien wel bij uitstek bij Shakespeares eigen, brede taalbelangstelling.

Er is een veelzeggende parallel met het verfilmen van Shakespeare. Juist die verfilmingen die Shakespeare aan zijn haren de bioscoop in slepen, blijken het meest effectief en succesvol. Een voorbeeld is Baz Luhrmanns William Shakespeare's Romeo & Juliet (let op de licht ironische titel), waarin Shakespeares liefdestragedie met meedogenloze consistentie naar de moderne tijd wordt overgeheveld. Maar intussen spreekt zelfs Leonaro DiCaprio wel Shakespeares oorspronkelijke, zij het hier en daar ingekorte dialogen uit. Al even gedurfd is Julie Taymors verfilming van Shakespeares bloederige wraaktragedie Titus Andronicus, getiteld Titus (1999). Titus is een overweldigende potpourri van visuele stijlen, en lijkt zich tegelijkertijd in het oude Rome, in een fascistisch land tijdens de jaren dertig van de vorige eeuw, en in een surreële grand guignol-wereld af te spelen. Maar ook hier is Shakespeare onmiskenbaar aanwezig. De hoofdrol wordt gespeeld door Sir Anthony Hopkins, die een keurige staat van dienst als Shakespeare-acteur heeft, en Shakespeares tekst met evenveel liefde als vakkennis vertolkt. Net zoals Ten Oorlog zijn beide films in zekere zin hybride: zowel radicaal eigentijds als geïnspireerd door het weerbarstige werk van een auteur die al vier eeuwen dood is.

Tom Lanoyes Ten Oorlog opent met een citaat van Camille Paglia: `Door de klassieken op de korrel te nemen en ze van het stof te ontdoen, kunnen we hen zowel corrumperen als verlossen.' Vertalingen als die van Lanoye, en verfilmingen als die van Luhrmann, houden Shakespeare levend voor onze tijd, en verlossen hem van pofbroek en wambuis.

Jan Frans van Dijkhuizen en Richard Todd zijn verbonden aan de opleiding Engelse taal en cultuur van de Universiteit Leiden.

    • Jan Frans van Dijkhuizen
    • Richard Todd