Eerst moet je maar even helemaal leeglopen

Tussen proza en poëzie bevindt zich een grensgebied. Dat is niets nieuws. Ooit bestond het onderscheid niet in de literatuur, later zijn tussen beide vormen scherpe grenzen getrokken, die vooral in de vorige eeuw in prozagedichten en taalexperimenten weer vervaagden. Bij prozateksten van dichters die het na enkele poëziebundels over een andere boeg gooien, verwacht je dat grensgebied te betreden. Dat is lang niet altijd het geval. Dichters kunnen ook meesterlijk proza schrijven dat in niets op gedichten lijkt, zelfs al betreft het korte fragmenten zonder consistent verhaal. Maar de dichterlijke vlucht in het proza kan ook een vorm van gemakzucht of onmacht zijn. Bij de recent verschenen prozadebuten van de dichters Hanz Mirck en Vrouwkje Tuinman speelde de vraag steeds hinderlijk door mijn hoofd: wat is dit? En het stellen van die vraag is eigenlijk al noodlottig – het hoort er niet toe te doen tot welk genre je een tekst zou moeten rekenen, de tekst zelf moet overtuigen.

Dat presteerde dichteres Esther Jansma bijvoorbeeld in 1997 met haar prozadebuut Picknick op de wenteltrap. Het was een doordacht vormgegeven serie onderling verbonden miniatuurtjes, waarin drie kinderen gesprekken voeren over de manier waarop zij het leven ervaren. Of neem de prozafragmenten van Anneke Brassinga in Hartsvanger (1993) en Hapschaar (1998). Evenals het caleidoscopische boekje van Jansma, waarop de uitgever tot verbazing van de auteur het etiket `roman' plakte, kunnen Brassinga's fragmenten worden gelezen als meer of minder verkapte memoires. De keuze voor proza was evident: beide dichteressen wilden zich in hun autobiografische teksten wat de vorm betreft meer veroorloven dan in gedichten mogelijk is.

Sinds het succes dat vooral Jansma`s Picknick op de wenteltrap oogstte, lijkt dit enigszins hybride genre navolging te vinden onder jonge dichters. De initiator van wat zich als een heuse trend laat aanzien, is de in 1970 geboren Utrechtse dichter Ingmar Heytze. Na diens poëziedebuut De allesvrezer (1997) volgde in 2003 de bundel prozaminiaturen Ik ben er voor niemand, met elkaar verbonden door een verteller die Retour Afzender heet. En nu zijn, kort na elkaar, van Heytzes vrienden en collega's Hanz Mirck (1970) en Vrouwkje Tuinman (1974), allebei auteurs met één dichtbundel op hun naam, vergelijkbare prozadebuten verschenen die als roman worden betiteld.

Hoe je deze proza-experimenten, want dat zijn het, noemt maakt niet zoveel uit, de teksten staan of vallen met de authenticiteit ervan en de urgentie van de vorm. Zodra de indruk ontstaat dat de fragmentarische aanpak eigenlijk een maniertje is om de poëzie te verlaten en in het wilde weg autobiografisch te kunnen mekkeren over schoolpleinervaringen en puberverdriet wordt lezing ervan een opgave. Dat geldt niet voor Heytze, die met Ik ben er voor niemand fijnzinnige miniaturen vol rake typeringen afleverde. Toch beklijft zijn poëzie beter dan zijn proza, wellicht omdat het teksten zijn die je met de attitude van de poëzielezer tot je moet nemen, maar die niet de daarvoor vereiste concentratie afdwingen. De taal mist het metrum en de beeldenrijkdom van de gedichten, maar als short stories of aan elkaar geprate roman voldoet dit werk ook nauwelijks omdat er een verhaallijn of spanningsboog ontbreekt.

Waarom kiezen veelbelovende dichters als Mirck en Tuinman eigenlijk voor proza? Ik kan, wat ik ook probeer, alleen maar buiten-literaire argumenten verzinnen. Het zou een vorm van epigonisme kunnen zijn (beiden voeren Heytze in hun werk als vriend op en worden omgekeerd voortdurend door Heytze aangeprezen). Maar eerlijk gezegd denk ik dat hun uitgevers om commerciële redenen de voorkeur geven aan romans. Hanz Mirck windt daar in zijn prozadebuut, voorzien van een aan Ingmar Heytze ontleend motto, geen doekjes om. In een hoofdstukje, getiteld `Memoir-reeks 33' doet hij verslag van een telefoongesprek met zijn moeder. `En ik vertel dat mijn uitgever het plan heeft om een nieuwe serie boeken te starten, autobiografisch getint proza, hij noemt het ,,memoirs''. En dat hij mijn boek als eerste daarin wil uitbrengen. Leuk hé? Maar aan de andere kant wel gevaarlijk, want dan zet je er een soort stempeltje ,,waar gebeurd'' op. Dat maakt voor de kwaliteit niets uit, zou je denken. Maar voor mijn ouders wel, denk ik hardop.'

Afgezien van de vraag waarom mij dat als lezer in vredesnaam zou interesseren: het maakt voor de kwaliteit helaas wel degelijk uit. Het resultaat is namelijk een belabberd geschreven wordingsgeschiedenis van deze door een uitgever in elkaar geflanste memoires, samengesteld uit flarden herinneringen, gesprekken, sms-jes en e-mails tot en met een als een schoolreisjesverslag opgeschreven relaas over de presentatie van Het godsgeschenk in een boekwinkel in Zutphen. Dit is de Talpa-isering van literatuur, maar dan zonder de formats en het publiek van Talpa.

Een belangrijk verschil met het betere werk in dit genre, zoals dat van Esther Jansma, is de volstrekt willekeurige vorm ervan. Mirck erkent dat ook ruiterlijk, zoals in het hoofdstuk `Non-fictie 33' over een gesprek met een redacteur van zijn uitgeverij. `,,Probeer nou eerst maar gewoon leeg te stromen'', zegt hij terwijl hij een glas voor me vult. ,,Daarna gaan we wel structureren''.' Nu, gestructureerd ís er, door boven de bijeengeraapte kladbloknotities titels te plaatsen als `De bal 6', `De oude bibliotheek 11', `Kafka 15', `Ingeleverd 34' – waarbij de getallen uiteraard verwijzen naar de leeftijd waarop de `ik' met zijn bal speelde, een oude bibliotheek bezocht, Kafka ontdekte of het manuscript van zijn boek inleverde. Precies zo als Esther Jansma in Picknick op de wenteltrap haar hoofdstukjes titels gaf als `Het denken [1] ', `De hoogte en de diepte [2]', `Het verlangen [3]'.

Het verschil in niveau is echter onmetelijk: Jansma reconstrueert het denken over abstracties van een klein kind in diverse ontwikkelingsfasen, overtuigend opgeschreven in een onontkoombare, niet per se chronologische volgorde. De oudste herinnering is die van een tienjarige, onder de titel `De hoogte en de diepte [10]'. Hanz Mirck heeft het nooit over abstracties. Hij bedrijft louter van zelfvertedering en zelfbeklag overlopende anekdotiek.

Zelfvertedering is dodelijk voor elk proza en het was dan ook schrikken toen ik Vrouwkje Tuinman daaraan in Grote acht bijna zag bezwijken. `Ik was vijf, bijna zes. Ik wilde dierenarts worden en was schrijver', lezen we al in hoofdstuk 1. Dat hoofdstuk heet – jawel – `Twaalf' en een meisje van twaalf kijkt erin terug op haar kindertijd. Vol ontroering roept ze een wonderkind op dat op haar vijfde verhalen schrijft, voorleest en publiceert voor haar speelgoedbeesten. Haar huidige publiek heeft echter te maken met een bijna dertigjarige vrouw, die haar lezers kennelijk aanziet voor de beer die haar publiek was als kleuter-schrijfster. De beer had geen ogen en vond alles prachtig.

Iemand had het talent van Vrouwkje Tuinman hiertegen moeten beschermen. Want dat talent is er. Wie bereid is heen te stappen over de opzichtige navolging van Jansma (alle hoofdstuktitels verwijzen in niet-chronologische volgorde naar de leeftijd van de ikfiguur), de dankbetuiging aan Heytze en de hinderlijke overeenkomsten met Mirck (zoals het opnemen in de tekst van onbenullige brieven aan een vriendin) ziet het door dit proza heen schemeren. In Grote acht, de titel verwijst naar een verplicht nummer in de paardendressuur, is een opgroeiend meisje aan het woord dat associatief en in flarden de relatie met haar gescheiden vader probeert te benoemen. De vader, in de perceptie van het kind een vieze oude man, gaat dood als ze op de middelbare school zit, maar in haar hoofd en lijf blijft hij hinderlijk aanwezig.

Generaties kinderen zijn opgegroeid met gescheiden vaders bij wie ze in het kader van omgangsregelingen verplicht de weekends doorbrachten en er is al oneindig veel over geschreven. Maar niet eerder heb ik de eenzaamheid, angst, gekwetstheid, de loyaliteitsconflicten en het verdriet die dergelijke gedwongen logeerpartijen bij een kind te weeg kunnen brengen, zo indringend mee-ervaren als in Grote acht. Opgroeien in Zutphen bij ouders die niet gescheiden zijn en dat ook nooit zullen doen omdat ze in een vorig leven non en priester waren – zoals in Het Godsgeschenk de vader en moeder van Hanz Mirck – is ook geen pretje. Maar het doorsnee drama van Vrouwkje Tuinmans personage komt oneindig beter uit de verf dan dat van de van God gegeven Zoon, zonder dat daarvoor een oeverloze woordenbrij nodig is. Evenals in het proza van Esther Jansma en Anneke Brassinga spreekt uit Grote acht de taal- en vormbeheersing van een dichter. Maar Tuinman is tot meer in staat dan fragmentarisch proza. Zij zou, zo blijkt uit dit debuut, een volwaardige roman aankunnen met een verhaal en personages die beklijven, zoals woorden en beelden dat kunnen in poëzie.

Hanz Mirck: Het godsgeschenk. Vassallucci, 293 blz. €17,95

Vrouwkje Tuinman: Grote acht. Nijgh & Van Ditmar, 142 blz. €14,50

    • Elsbeth Etty