Een plek waar alles mag

Zo'n vijftien jaar geleden stormde João Ubalo Ribeiro met zijn overweldigende epos Brazilië, Brazilië de wereldliteratuur binnen en inmiddels is in het Nederlands zijn zevende roman verschenen. Het verschil tussen die twee kon nauwelijks groter zijn. Was Ribeiro's debuut een apocalyptisch verhaal over een verschrikkelijke mensengeschiedenis, De ongelukkige en grootmoedige liefde van Benedita is een even korte als bruisende liefdesverklaring aan een leven vol sensualiteit dat zich aan de officiële moraal net zo weinig gelegen laat liggen als het deze met de mond belijdt.

De wereld die Ribeiro oproept in dit boekje, dat met zijn weidse titel herinnert aan achttiende-eeuwse moraliteiten, is die van het eiland Itaparica, gelegen voor de oostkust van Brazilië en wel vaker het toneel van Ribeiro's romans. Al dan niet onder zijn eigen naam vertegenwoordigt dit geboorte-eiland van de schrijver een tijdloze utopie. Eeuwenoude gedragspatronen staan er in een goedmoedige losheid garant voor een wereld waarin ieder zijn plaats kent en juist daarom in vrijheid kan doen wat hem goeddunkt.

Met veel ironie beschrijft Ribeiro dit gelukkige traditionalisme van mannen die het doen met alle vrouwen en van vrouwen die het alleen maar in schijn slechts doen met één. Zelfs de lofzang over de onberispelijke Benedita is gedrenkt in een dermate rondbuikige taaloverdaad dat ieder woord in zijn tegendeel verkeert – en daarmee, zoals aan het einde van het boek blijkt, de spijker alsnog op de kop slaat. Wat geldt voor de deugd van Benedita geldt ook voor die van haar echtgenoot Deoquinha, met dit verschil dat die in alle openheid een hele reeks aan bij-gezinnen en bastaardkinderen te onderhouden heeft – alles uiteraard volgens de regels van een erecode waarover niemand zich beklaagt.

Dat ook het leven van de gerespecteerde Deoquinha niet altijd over rozen gaat, blijkt niet alleen uit zijn plotselinge dood in de armen van een van zijn minnaressen waarmee het boek plompverloren opent. Het blijkt ook uit de burleske financiële en vooral liefdesconcesssies die hij zijn schoonzus heeft moeten doen om een van zijn bastaardkinderen te kunnen adopteren en zo een priesteropleiding te kunnen bieden. En het blijkt tenslotte uit de geheimen die zijn eigen wettelijke, maar opmerkelijk blonde nageslacht omgeven – al wordt de ontdekking van die geheimen hem door de dood genadiglijk bespaard.

Deoquinha's rol heeft daarmee de tragiek die de mannelijke eer al snel gaat omgeven wanneer zij – zoals in de meeste culturen – een doorslaggevende factor wordt. Maar zwaar op de hand wordt Ribeiro bij die vaststelling allerminst. Benedita, aanvankelijk opgezet als een internet-feuilleton, is geschreven als een farce die hier en daar aanschurkt tegen de klucht, waarin waardige oude heren het wel vaker moeten ontgelden. De onbekommerd uitgedragen erecode van een koppig onmoderne samenleving wordt, net als de kunst van het leven volgens een dubbele moraal, door Ribeiro vrolijk en tegelijk met een dikke knipoog omarmd. Als utopie is Itaparica een onbeschaamde uiting van een verlangen dat niet helemaal ernstig moet worden genomen.

Het plezier dat Ribeiro aan het schrijven van Benedita moet hebben beleefd (geëvenaard door dat waarmee Harrie Lemmens het heeft vertaald) geeft dit boek de overrompelende charme van een vertelling die op niets anders dan dit plezier uit is. In het oeuvre van Ribeiro is het wel het zoveelste in een rij van `tussendoortjes', die gaandeweg doen uitzien naar een boek van groter gewicht.

João Ubalo Ribeiro: De ongelukkige en grootmoedige liefde van Benedita. Vertaald door Harrie Lemmens. De Bezige Bij, 125 blz. €17,90

    • Ger Groot