Een heer in het gevang

Vooraanstaande hoogleraren (Geyl, Huizinga), twee toekomstig premiers (Schermerhorn, Drees), een belangrijke schrijver (Vestdijk) en nog vele andere prominenten. De namenlijst van het kleinseminarie Beekvliet in Sint Michielsgestel, waar van november 1942 tot het najaar van 1944 honderden gijzelaars door de Duitse bezetters werden vastgehouden, was een who's who van de toenmalige Nederlandse intellectuele en politieke elite. Nederlands eerste `denktank', opgericht door de Duitsers.

Onder hen bevond zich ook een zekere Max Kohnstamm, geboren in 1914, op dat moment een vooraanstaande figuur in de studentenwereld. Bij een reeks lezingen over `het Nederlands geestesleven' in de winter van 1941, had Kohnstamm het Wilhelmus gezongen. Dat was de Duitsers ter ore gekomen, en in 1942 werd Kohnstamm vanwege zijn `Deutschfeindlichkeit' in Haaren en Sint Michielsgestel geïnterneerd. Daar vandaan schreef hij brieven naar zijn ouders, schoonouders en zijn verloofde Kathleen. Die zijn nu gebundeld als Brieven uit Hitlers Herrengefängnis.

En een Herrengefängnis (de term is van Kohnstamm zelf) was het. Niet alleen vanwege de voorname kostgangers, ook de leefomstandigheden waren er uitstekend. Er was volop gelegenheid tot sporten, er werd – ook over politiek – vrijuit gediscussieerd, en eten was volop aanwezig. `Vergeleken met het doorgangskamp in Amersfoort, leek je in Michielsgestel geplaatst te zijn om vet gemest te worden als een gans', zei Kohnstamm in 1992 in deze krant.

Dat maakte het verblijf nog niet tot een plezier. De gijzelaars stonden immers `borg met hun leven' voor de veiligheid van Duitse militairen. Er waren tot dan toe in Nederland geen aanslagen geweest, en de behouden terugkeer van de bloem der natie zou het Verzet daar ook in de toekomst wel van weerhouden, zo hoopten de Duitsers. Die hoop bleek ijdel. Op 7 augustus 1942 werd in Rotterdam een aanslag op een Duitse goederentrein gepleegd. Kohnstamm schrijft openhartig over zijn angst in de onzekere dagen voorafgaand aan de selectie en executie van gijzelaars. Boeiend zijn de geloofsvragen waarmee Kohnstamm worstelt. Hij beschrijft God als `de Grote Vijand, de Grote Tegenstander', maar vertrouwt er tevens op dat `Hij zal doen wat goed voor me is'.

In de maanden daarna maakte de angst weer plaats voor gezapigheid. Er is altijd hoog opgegeven van het intellectuele klimaat in Sint Michielsgestel, met zijn talloze cursussen, lezingen en discussies. Maar van een intellectuele lusttuin is in de brieven van Kohnstamm weinig te merken. Integendeel, regelmatig bekritiseert hij de geestelijke verstarring van medegijzelaars. Kohnstamm had in 1938-1939 een studiereis door de Verenigde Staten gemaakt en geeft blijk van een bredere kijk op de (geo)politieke realiteit dan sommige mede-gijzelaars. `Leiders zonder visie', noemt hij mensen als de ARP'er Algra (wiens brieven uit Beekvliet in 2002 zijn uitgegeven), die niet in staat zullen zijn `ons los geslagen volk op (te) vangen'. Meer affiniteit heeft Kohnstamm met de latere premier Schermerhorn en de Indische ambtenaar en publicist Meyer Ranneft, die hij `zijn leermeester' noemt, en die uitgesproken opvattingen heeft over de autonomie van Nederlands-Indië na de oorlog. `Als ik later niet alle tijd hier als verloren zal beschouwen, dan heb ik dat voor een groot stuk aan hem te danken!' Kohnstamm houdt aan zijn verblijf in Gestel, behalve een afkeer van mensenmassa's, een aanstelling over als secretaris van koningin Wilhelmina. Later wordt hij een van de naaste medewerkers van Jean Monnet, een van de aartsvaders van de huidige EU.

In 2003 zocht een ploeg van het VPRO-programma `Tegenlicht' Kohnstamm op in zijn huis in de Ardennen voor een uitgebreid interview. Het ging, zoals gewoonlijk, over de Europese politiek. Zestig jaar na zijn brieven nog altijd diezelfde brede kijk op de wereld. Die scherpte zonder de neiging tot radicaliseren. Diezelfde zo zeldzaam geworden eruditie.

Max Kohnstamm: Brieven uit Hitlers Herrengefängnis. De Bezige Bij, 205 blz. €22,50

    • Arnoud Veilbrief