Doorgaan met postuum werk

Het woord `vitaal' valt nogal eens in het derde en laatste deel van Een geschreven leven 3, de weinig conventionele autobiografie van Sybren Polet. Het is gewijd aan de laatste pakweg vijfentwintig jaar. Polet mag zich, ook al is hij de vijfenzestig al ruimschoots gepasseerd, nog steeds verheugen in een kwieke geest en een gezond lichaam. Maar steeds voelt hij ook de dreiging van een nieuwe, zogeheten vitale depressie. Het loopt steeds net met een sisser af.

Reden tot sombere overpeinzing was er voor Polet vooral in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zijn boeken kregen een zuinig tot zuur onthaal – als ze al besproken werden. Het Fonds voor de Letteren, ooit door hemzelf opgericht om schrijvers een vast inkomen te kunnen bieden, was minder royaal met het toekennen van schrijfsubsidie. En De Bezige Bij, die zijn werk dertig jaar lang had uitgegeven, wilde niet meer met hem verder, omdat ze hem te `moeilijk' vonden.

Polet probeert op al deze tegenslagen zo stoïcijns mogelijk te reageren, maar dat lukt hem niet helemaal en hier en daar valt een tamelijk bittere toon te beluisteren. In Nederland, zo stelt hij vast, wil men alleen nog maar toegankelijk proza en conventionele poëzie lezen en is men wars geworden van ieder modernisme of experiment. Hij ziet het als een teken aan de wand dat volwassenen, zoals onderzoek zou hebben uitgewezen, zo graag kinderboeken lezen.

Geen wonder dat hij, die toch al erg van reizen hield, graag het hem onwelgezinde literaire klimaat ontvluchtte. Samen met zijn vrouw Cora maakte hij verre en avontuurlijke trektochten. Daarvan doet hij monter en geanimeerd verslag, tussen diverse andere uitweidingen, droomanalyses, literaire beschouwingen en introspectieve passages door. Hij schrijft over de dagelijkse corruptie in Indonesië, de roesverwekkende hongos in Mexico, fanatieke moslims in West-Sumatra, het warme zeewater van het Thaïse Phuket, de wrede offerrituelen van weleer van de Inca's, de vriendelijke oppervlakkigheid van de Amerikanen en de herrie, van popmuziek vooral, die hem in toenemende mate in alle werelddelen teistert. Met opvallend veel genegenheid schrijft hij over zijn ontmoetingen en ervaringen met dieren: de neushoorns in Nepal, opdringerige bavianen in Kenia, de majestueuze albatros in Nieuw-Zeeland, het Australische klokvogeltje en de Namibische dikdik (een mini-hertje). Ook de dingo, de coyote, de olifant, de hond en de dolfijn kunnen op zijn warme sympathie rekenen. Hij spreekt tegen het eind van het boek de hoop uit dat het wilde dier mag blijven bestaan, desnoods in een natuurreservaat, omdat het, in Polets ogen, een noodzakelijk deel vormt van wat hij onze bewustzijnswereld noemt.

Het meest opmerkelijke aan het vele gereis, en het beste bewijs van zijn vitale instelling, is dat hij niet alleen zijn ogen en oren gretig de kost geeft, maar ook kans ziet om veel te schrijven – ondanks het feit dat in deze periode de belangstelling voor zijn werk minimaal is en er nog ettelijke jaren geen enkele titel van hem in druk zal verschijnen. Hij schrijft essays, verhalen en gedichten en beëindigt, rond 1990, zijn roman De andere stad, die pas vier jaar later zou verschijnen. `Toen het klaar was', schrijft Polet droogjes, `legde ik het typoscript in de kleine brandvrije kluis bij de negen of tien andere typoscripten die op publicatie wachtten.'

Misschien heeft dit onverwoestbare geloof in het eigen schrijverschap wel te maken met wat Polet zijn `gefixeerde, fictieve leeftijd' noemt. Die valt niet samen met zijn reële leeftijd, maar ligt beduidend lager: begin twintig. Hoeveel hij inmiddels ook heeft geschreven, hij blijft zich een beginneling voelen. Op zijn 74ste ging hij dan ook niet op zijn lauweren rusten, maar stapte hij welgemoed over naar een andere uitgeverij. Er kwam toen een nieuwe stroom Polet-boeken op gang. Er werd verrast gereageerd op deze `comeback'. Zelf heeft hij meer het idee `opnieuw postuum te bestaan'.

Ouderdom en jeugd zijn prettig gemengd bij Polet. Dat blijkt ook weer uit Een geschreven leven 3, onder meer uit de geestige verjaarsbrief aan broer Piet, die zich als benjamin altijd te kort gedaan voelde, maar die nu wel, zo houdt Polet hem voor, het genoegen mag smaken om als laatste van de familie vijfenzestig te worden. Aan de ene kant is er de oude rot die allang weet waar Abraham de mosterd haalt en zich geen oor meer laat aannaaien. Hij berijdt zijn stokpaarden, geeft uiting aan zijn gram over het literaire klimaat, de uitgeverspolitiek, subsidiekortingen en negatieve recensies. Aan de andere kant is er de jonge hond die Polet ook altijd is gebleven: nieuwsgierig, beetje brutaal, aan alles snuffelend en steeds weer bereid zich te laten verrassen door wat hij op zijn pad vindt. Die combinatie van oud en jong, bitter en zoet, verongelijkt en enthousiast maakt ook dit jongste werk weer tot een uitgesproken levendig geheel.

Sybren Polet: Een geschreven leven 3. Wereldbibliotheek, 283 blz. €19,90. De drie delen van Een geschreven leven kosten tot 17 dec. samen €45,–

    • Janet Luis