De verf gloeit

De meesterschilders Herman, Paul en Johan van Limburg waren de beroemdste kunstenaars uit de late Middeleeuwen. Voor het eerst is een groot deel van hun werk nu in al zijn glorie te zien, in hun geboortestad Nijmegen.

De boeren dragen vrolijke rode kielen, hoewel wit en azuur ook vrij normaal zijn. Boerinnen zijn elegante verschijningen in blauwe gewaden. En iedereen is vrolijk, gezond en tevreden. Les Très Riches Heures du duc de Berry, het allerberoemdste verluchte getijdenboek uit de late Middeleeuwen, heeft zozeer ons beeld van die periode gekleurd dat het moeilijk is je de Middeleeuwen voor te stellen zonder aan de ongekend verfijnde, levendige en kleurrijke illustraties uit dit meesterwerk te denken: het elegante leven aan het hof, religieuze devotie, realistische tafereeltjes uit het boerenbestaan van alledag. Je hoeft geen kunsthistorisch specialist te zijn om de kalenderbladen uit de Très Riches Heures te herkennen – ze glanzen je wereldwijd tegemoet vanaf dienbladen, koekblikken, boekomslagen, posters, boekenleggers, borduurpatronen en natuurlijk, kalenders.

Eind vorig jaar hield een familielid – geboren en getogen in Nijmegen – mij een ongewoon luxe uitgevoerd kalenderexemplaar voor: `Kijk eens hoe mooi! De gebroeders Van Limburg. En ze komen van hier, uit Nijmegen!' Waarop ik – geboren in, getogen bij Nijmegen – slechts wist te antwoorden met `Huh?' De Très Riches Heures, Níjmegen? Vast een vergissing.

Omdat dit de standaardreactie is van de meeste Nijmegenaren, laat staan de rest van Nederland, is er nu de tentoonstelling De gebroeders Van Limburg. Nijmeegse meesters aan het Franse hof (1400-1416) in Museum Het Valkhof te Nijmegen. De tentoonstelling maakt deel uit van de festiviteiten rond het 2000-jarig bestaan van de stad en is niets minder dan een poging om Herman, Paul en Johan van Limburg als verloren Nijmeegse zonen weer in de armen te sluiten. Want zoals Frans Hals onverbrekelijk is verbonden met Haarlem, en Vermeer niet weg te denken is uit Delft, zo zouden ook de gebroeders Van Limburg in één adem met Nijmegen moeten worden genoemd, aldus de Stichting Gebroeders Van Limburg. Deze stichting, krap twee jaar geleden opgericht door een handjevol enthousiastelingen, heeft als doel de bekendheid van de schilders, en van hun banden met Nijmegen, te bevorderen. Waarom dus geen overzichtstentoonstelling gemaakt van de meesterschilders in hun geboorteplaats? De stichting stapte met het plan naar Museum Het Valkhof – en werd nog net niet weggelachen.

at is niet zo vreemd – het was van meet af aan een onmogelijk plan. Het tot nu toe bekende oeuvre van de gebroeders Van Limburg omvat acht werken, waarvan er één verloren is gegaan, en er één weliswaar aan de broers wordt toegeschreven maar van onzekere herkomst is. Van de overige zes boeken mag het spectaculairste, de Très Riches Heures, wegens een testamentaire bepaling nooit worden uitgeleend – zelfs in het Musée Condé in Chantilly waar het wordt bewaard is alleen een facsimile uitgave voor het publiek beschikbaar. Je zou dus op een overzichtstentoonstelling in het allergunstigste geval vijf opengeslagen boeken kunnen tonen.

Dat er nu in Het Valkhof vier van die boeken te zien zijn, plus het aan de gebroeders toegeschreven werk, en dat er uit het mooiste van die boeken, Les Belles Heures de Jean de France, duc de Berry, in totaal zeventien miniaturen naast elkaar getoond worden, mag dan ook gerust een sterk staaltje heten. Het uitzonderlijk toeval wilde dat de Belles Heures, uit de collectie van het Metropolitan Museum of Art te New York, was uitgebonden voor onderzoek, restauratie en het maken van een facsimile editie. De Metropolitan Museum zegde Het Valkhof de bruikleen toe van tien dubbele bladen. Daarop bleek het ineens een stuk makkelijker om ook de Bibliothèque Nationale de France (waar zich de Bible Moralisée en de Petites Heures de Jean de Berry bevonden), en de Biblioteca Apostolica Vaticana (De dictis factisque mirabilibus van Valerius Maximus) over te halen om een bijdrage te leveren aan de eerste tentoonstelling rond de gebroeders Van Limburg ooit.

Deze Herman, Paul en Johan werden tussen 1385 en 1390 geboren in de Burchtstraat te Nijmegen, in een familie van kunstenaars. Vader was beeldsnijder, moeder deed borduurwerk en stamde uit een geslacht van heraldische schilders. Dankzij hun oom Johan Maelwael, die hofschilder was van Filips de Stoute in Dijon, werden de broers rond 1402 eveneens in dienst genomen door de hertog. In zijn opdracht begonnen ze aan het illustreren van een Bible Moralisée – een werk waarin korte bijbelregels, zedenlessen of allegorieën worden geïllustreerd met miniaturen, duizenden in totaal – een megaproject dat voortijdig werd beëindigd door de dood van Filips in 1404. Vervolgens traden ze in dienst bij Jean de Berry, puissant rijke boekverzamelaar en zoon, broer en oom van drie opeenvolgende Franse koningen.

Voor hem maakten ze hun beste werken. In het getijdenboek Belles Heures ontwikkelden ze hun stijl, die culmineerde in de Très Riches Heures. Dit laatste werk bleef onvoltooid door de plotselinge dood, in 1416, van zowel hertog als broers, waarschijnlijk aan de pest. Later in de vijftiende eeuw werden de miniaturen in de Très Riches Heures afgemaakt door verschillende kunstenaars. De boeken – en broers – verdwenen vervolgens uit zicht, totdat de Très Riches Heures werd herontdekt in 1855. Het duurde daarna nog tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw voordat de link werd gelegd tussen de gebroeders Van Limburg en hun geboorteplaats Nijmegen, wat misschien verklaart waarom de stad niet eerder groot heeft uitgepakt met de beste kunstenaars die ze ooit heeft voortgebracht.

Er valt dus iets in te halen, en hoewel de zeldzame bruiklenen uit New York, Parijs en het Vaticaan het hoogtepunt vormen van de tentoonstelling, heeft die toch een nadrukkelijk Nijmeegs accent. Een groot deel van de ruimte wordt gebruikt om de gebroeders Van Limburg in hun Nijmeegse context te plaatsen. Met getijdenboeken, brevieren, gebedenboeken, losse miniaturen, paneelschilderijen, sculpturen, beeldsnijwerken, archiefstukken en edelsmeedkunst wordt het culturele klimaat van het hertogdom Gelre en omstreken geschetst. Ook zien we iets van de politieke connecties en culturele uitwisseling tussen Nijmegen en Parijs. Tot slot krijgen we een beeld van de navolgers van de broers en hun invloed op de artistieke traditie.

Die context is interessant voor wie geen idee had van de Nijmeegse achtergrond van de broers. En hoe vreemd die relatieve onbekendheid eigenlijk is, blijkt al snel uit de tentoongestelde objecten: de gebroeders Van Limburg zijn bijzonder goed vertegenwoordigd in de stadsarchieven en andere documenten. Maar nog verrassender is het om de producten te zien van de grote kunstzinnige bedrijvigheid die eind veertiende, begin vijftiende eeuw heerste in Gelre en de gebieden daaromheen.

Een uiterst lieflijk eikenhouten beeldje van Madonna met Kind, met een maanvormig gezichtje, aandoenlijk roze wangetjes en roze lipjes, blijkt eveneens vervaardigd in Nijmegen rond 1420-'30, en afkomstig uit het parochiekerkje te Heumen. En een Maaslandse, waardig Tronende Maria met Kind uit 1380 werd vanaf 1405 vereerd als bedevaartobject in een klooster te Renkum, waar het na enige omwegen opnieuw belandde in de parochie van Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming. Op TV Gelderland was onlangs te zien hoe het beeld werd ingepakt voor vervoer naar het museum – onder grote belangstelling van parochianen die geëmotioneerd toezagen hoe het nog altijd vereerde Mariabeeld uit hun kerk werd weggehaald. Zo komt de geschiedenis opeens heel dichtbij.

Ook het fraaie gebedenboek van Maria van Gelre (een nicht van de hertog van Berry en Filips de Stoute), waarvan de getoonde pagina's nauwelijks onderdoen voor het werk van de broers Van Limburg, en erdoor geïnspireerd lijken, werd waarschijnlijk verlucht te Nijmegen. Een miniatuur toont Maria zelf, lezend in haar gebedenboek – een bekend, enigszins Drosteblik-achtig motief uit verluchte getijdenboeken, die niet alleen als statussymbool maar ook voor het hoogstpersoonlijk gebruik van de opdrachtgevers bedoeld waren. Haar lange blauwe sleep, die over kader en de margeversiering van bloemetjes heen gedrapeerd ligt, lijkt een poging te doen om het onderscheid tussen bladspiegel en buitenwereld te doorbreken.

Maar alle verluchte handschriften in deze zalen, hoe kleurrijk, origineel, goud-glanzend of aandoenlijk ook, moeten het uiteindelijk, onvermijdelijk, afleggen tegen de lumineuze, expressieve, wonderlijk subtiele bladzijden uit de Belles Heures van de gebroeders Van Limburg. De tempera-verf lijkt hier van binnenuit te gloeien, zo helder zijn de kleuren, en de composities zijn van een verfijning die simpelweg ontbreekt in de overige manuscripten. In `De verkondiging aan de herders' zien we tegen een hemelsblauw gewelf drie engelen – zachtroze, groene en blauwe vleugels – de boodschap verkondigen aan twee herders, slechts op een armlengte afstand boven ze zwevend. De herders, langgerekte reuzen tussen de miniatuurboompjes en mini-schaapjes om ze heen, staan zo met hun hoofden zowat in de hemel. Maar rond hun voeten speelt zich het aardse leven in volle omvang af: een herdershoed is van schrik afgegooid, een bokje krabt zich achter het oor met een achterpoot, een geitje knabbelt aan een boompje, en een hond ligt erbij zoals honden erbij liggen, snoet tussen de poten.

Hier is, net als in de overige miniaturen uit de Belles Heures, duidelijk te zien wat het werk van de gebroeders Van Limburg tot hoogtepunten van de internationale gotiek maakt: de heldere kleuren, elegante, sierlijke maar toch niet helemaal realistische figuren en een vreemde ruimteverdeling gecombineerd met naturalistische details. Een soortgelijke combinatie tussen hemels-onrealistische en aards-naturalistische elementen is ook goed te zien in `De vlucht naar Egypte', waarin het aureool van Maria zich op engel-hoogte bevindt, naast allegorisch verbrokkelende afgodsbeelden – terwijl het ezeltje waarop ze zit, voorthobbelt over een modderpaadje waarin de hoefafdrukken en voetsporen duidelijk te onderscheiden zijn, en je zowat de haartjes in zijn oren kunt tellen.

De verhouding marge, miniatuur en tekst is nog vrij constant en traditioneel in de Belles Heures. De marge bestaat steevast uit gouden, enigszins abstracte wingerdranken zonder al te radicale variaties, en de proporties van tekst en verluchting blijven ongeveer gelijk. Maar het is in de miniaturen zelf dat de gedurfde, innovatievere, veel complexere Très Belles Heures zich aankondigt: in de emotionele intensiteit van `De bewening van Christus', het drama van `De heilige Ursula en de elfduizend maagden', die gruwelijk-realistisch worden afgeslacht door de Hunnen, of de ingewikkelde compositie van `De begrafenis van de heilige Hieronymus'.

In de laatste zaal met manuscripten is een aantal navolgers van de gebroeders te zien, als onderstreping van de stelling dat de gebroeders Van Limburg `niet aan het eind, maar aan het begin van een traditie' stonden. Inderdaad zijn de letterlijke citaten goed te zien in verschillende latere versies van de `Kruisdraging' en `Verkondiging aan de herders'. De Très Belles Heures kondigt in zekere zin de laatste grote opleving aan van het verluchte manuscript, eind vijftiende eeuw aan het Bourgondische hof, met z'n inventief gebruik van marges en kaders, lieflijk-realistische randversiersels van bloemen, slakjes en andersoortige flora en fauna, en bovenal sterk naturalistische afbeeldingen van alledaagse bezigheden.

De Très Belles Heures zelf zijn overigens slechts aanwezig op de tentoonstelling in de vorm van een facsimile-exemplaar dat bezoekers kunnen doorbladeren, en in twee computeranimaties van de kalendermaanden februari en april, die een beetje aan computerspelletjes doen denken en een lichte duizeling veroorzaken. Ook is er in de benedenruimte van Het Valkhof een tentoonstelling Rijke Uren, waarin twaalf koppels van hedendaagse kunstenaars en dichters zich lieten inspireren door de kalenderbladen uit de Très Belles Heures – wat voorspelbaar genoeg weinig inhoudelijk verband opleverde. Maar even verderop is een tentoonstelling die meer thematische samenhang heeft met De gebroeders Van Limburg. In de Stratemakerstoren aan de Waalkade is namelijk Rijkdom in eenvoud. Laatmiddeleeuwse handschriften uit klooster Soetenbeeck te zien, met middeleeuwse manuscripten die tot ver in de twintigste eeuw intensief zijn gebruikt in het vrouwenklooster.

Maar wie na deze onderdompeling in het vijftiende-eeuwse Nijmegen het museum verlaat en de stad inloopt, krijgt onwillekeurig de conclusie opgedrongen dat er niet zo veel over is van de wereld van de gebroeders Van Limburg in het huidige Nijmegen – een stad waarvan het platgebombardeerde centrum steeds meer gaat lijken op elke andere stad in Nederland, waar de Burchtstraat is veranderd in een verlengstuk van de plaatselijke koopgoot en stukjes geschiedenis zoals de in 1633 opgerichte boekhandel naast het stadhuis geruisloos konden verdwijnen. Laat Nijmegen dus vooral zijn culturele erfgoed opeisen, ook al omschrijft het dat als `verloren zonen'. Betere zonen dan de gebroeders Van Limburg, hierna waarschijnlijk nooit meer te zien, zullen zich niet snel aandienen.

`De gebroeders Van Limburg. Nijmeegse meesters aan het Franse hof (1400-1416)' en `Rijke uren'. T/m 20 november in Museum Het Valkhof, Kelfkensbos 59, Nijmegen. Open: di-vrij 10-17u, za-zo en feestdagen 12-17u. Inl.: www.museumhetvalkhof.nl of tel. 024-3608805

`Rijkdom in eenvoud. Laatmiddeleeuwse handschriften uit klooster Soetenbeeck'. T/m 20 november in Museum De Stratemakerstoren, Waalkade 83-84, Nijmegen. Open: di-vrij 12-17u, za-zo 13-17u. Inl.: www.museumhetvalkhof.nl of tel. 024-3238690

    • Corine Vloet