De mens is een slijkkip

Hoe zou een Fins gedicht eruitzien? Er zal een meer in moeten voorkomen, lijkt mij. Een bos, als het kan een berkenbos, met een hut erin. Nevel. Lang licht in de zomer. En, als dat zou kunnen, een eland erbij. `Diep in het bos slaapt een grote eland', zo begint een van de gedichten van de Finse dichteres Sirkka Turkka (1939). `Hij laat zijn zware kop hangen / als een nevel van verdriet.' Dat klinkt Fins, met een zweem van Finse zwaarmoedigheid. `En recht / uit de mist strekt een tak zich naar me uit.' Ze heeft uitzicht op een meer met ijs, stenen op de oever, en `overal is het grijs.' En er is een hond bij, haar `zielsbroeder', die haar bij haar huis in de bossen gezelschap houdt. Benevelde stemming: `een oud liefdeslied snijdt door de lucht.'

Ik trof veel van zulke voorspelbare Finse couleur locale aan in De hond zingt in zijn slaap, een keuze uit de poëzie van Turkka, vertaald door Adriaan van der Hoeven. De sauna en de Nokia ontbreken, en Jari Litmanen ook, maar verder beantwoordt het nogal aan mijn vooroordelen over typisch Finse bosbewonerspoëzie: `Ik vond het pootje van een haas op het erf/ wit en stil/ als een bloem op het graf./ Op de weg vond ik het gewei van een eiland,/ juist uitgebot,/ en in het bos een kreupele eekhoorn [...].' Veel natuur, hondenslee, sneeuw, dennen en veel avonden en nachten waarin naar de sterren wordt gekeken, en waarin de machtige duisternis zich uitstrekt over de meren, de bossen en de vlakten. Oerpoëzie, met oerkrachten (`de bloedfeesten van volle maan') en oergevoelens: `De paarden van de dood zijn vurig,/ klein en venijnig, en de herfstwind/ rood als bloed.'

Het beeld dat zo, in de loop van deze zestig gedichten, van Sirkka Turkka ontstaat is dat van een eigengereide, teruggetrokken in de bossen levende natuurdichteres van ouderwets romantische snit. En dat is nu juist waar Tonnus Oosterhoff ons in zijn nawoord voor wil waarschuwen. Hij ziet ons al in de bundel bladeren, hij ziet ons al fronsen en hij hoort ons al denken: `Veel grote woorden! Bovendien komen op vrijwel elke bladzij paarden, honden, maan en sneeuw voor. Reeds vormt zich uw vonnis: ach, dit is zo'n ouderwetse Scandinavische zwartkijkster.'

Goed gezien. In het vervolg van zijn nawoord wil Oosterhoff proberen ons alsnog met andere ogen naar Turkka's poëzie te laten kijken, maar vreemd genoeg lukt hem dat helemaal niet. Hij neemt zijn toevlucht tot vage aanprijzingen: `Er groeit een moeilijk te duiden coherentie binnen de gedichten zelf en tussen de gedichten onderling.' Hij probeert als een literatuurwetenschapper te klinken: `De concepten bewegen zich als het ware vrij door vele domeinen.' En hij lijkt zelf niet erg overtuigd van zijn oordeel. `Omdat de woorden niet gefixeerd worden op één betekenisniveau is hun werking tegelijk vaag én concreet.' Het zijn weinigzeggende woorden voor een dichter die beweert van het werk van een collega-dichter te houden.

Van de weeromstuit ging ik Turkka's poëzie, die ik nog niet erg bijzonder vond, dan maar proberen te lezen met de blik van Oosterhoff, in mijn ogen juist altijd een verrassende en onvoorspelbare dichter. Maar ook dat viel nog niet mee. Tussen veel onopvallende gedichten vond ik hooguit enkele aardige regels. `Toen ik in Frankrijk was, zei ik eens/ tegen een Ier, wat doe ik hier eigenlijk.' Dat zou het begin van een gedicht van Tonnus Oosterhoff kunnen zijn. In een ander gedicht trof mij opeens dit gekke beeld: `De moerashond uit het moeras slaapt/ als een steen in een steen,/ een middeleeuwse radio verspreidt avondlicht.' Elders zomaar de gril van een vergelijking tussen gedachten en linnengoed (`netjes opgevouwen in de kast, op een rij') en de verzuchting dat wij behoren tot de `familie der slijkkippen', veroordeeld tot jarenlang zwerven door het slijk.

Is het mooi? Soms. Gek? Soms. Zou het natuurmystiek zijn? Misschien. Poëzie van een waarzegster, een spreekster uit een andere wereld? Daar lijkt het af en toe wel op. Zij noemt zichzelf ergens `augur' en zij kan heel aardig orakelen: `Ik ben een volledig zonnestelsel, ik ben/ nergens van afhankelijk.' Zij ziet neer, vanuit haar boskluis, op `de stomkoppenwereld.' Daar zal ik dan ook wel toe behoren. Ik lees haar gedichten en kan maar niet inzien wat er nu zo goed of bijzonder aan zou zijn, en ook niet wat Oosterhoff er in aanspreekt. Dat is nu eenmaal soms zo. Wat voor de stomkoppen een probleem is, hoeft daarboven geen enkele rimpeling te veroorzaken. `Er is geen gedrang/ op de velden der genialiteit.'

Sirkka Turkka: De hond zingt in zijn slaap. Een keuze uit de gedichten. Vertaling en samenstelling Adriaan van der Hoeven. Met een nawoord door Tonnus Oosterhoff. De Bezige Bij, 78 blz. €17,50

    • Guus Middag