De maatschappij of toch maar een instelling

Stel, u krijgt nieuwe buren. Geen gewone buren. Naast u komt een gezinsvervangend tehuis voor geestelijk gehandicapte jong volwassenen. U bent in principe een aardige buurvrouw of buurman, dus u gaat in de week van de verhuizing even langs bij uw buren om kennis te maken. U neemt een bloemetje mee, complimenteert hen met de inrichting van hun woonkamer en wenst hun veel geluk in hun nieuwe huis. En dan?

Het idee achter het gezinsvervangend tehuis in uw straat is, zoveel weet u er wel van, dat uw geestelijk gehandicapte buren zoveel mogelijk een normaal leven zullen leiden. Werk in een bedrijf of overheidsorganisatie, waar zij collega's ontmoeten met en zonder verstandelijke beperkingen. Vrijetijdsbesteding in algemeen toegankelijke sportclubs en buurthuizen, temidden van allerlei soorten mensen. Begeleiding door vrijwilligers waar nodig en mogelijk. En hartelijke contacten met vrienden en buren, ook met u dus.

U bent niet alleen een aardige buurvrouw of buurman, u bent bovendien een goedwillende burger en u kunt zich wel iets voorstellen bij dit ideaal van de vermaatschappelijking van de gehandicaptenzorg. Gaat u vriendschap sluiten met uw nieuwe buren?

U aarzelt. Plotseling realiseert u zich dat een goed contact met buren een adequaat functionerende sociale antenne vereist. Stel dat u uw geestelijk gehandicapte buren uitnodigt voor een etentje en vervolgens een keer gaat eten bij hen thuis, zullen zij dan menen dat u nu verder boezemvrienden bent en om de haverklap ongevraagd op de stoep staan? Zullen zij zich aan u gaan hechten? Worden ze van u afhankelijk? Stel dat u de contactfrequentie later wilt verminderen, hoe moet u dat dan doen? Moet dat in een gesprek met hun begeleiders erbij? Zullen uw buren gekwetst en verdrietig raken door uw afwijzende houding?

U bedenkt dat uw verstandelijk gehandicapte buren tot op zekere hoogte nog kinderen zijn. Zouden ze eigenlijk geen vrienden moeten worden met uw kinderen in de basisschool leeftijd? Of leidt dat ook tot problemen? Tenslotte zijn uw buren seksueel wel volwassen en fysiek zijn ze veel sterker dan uw kleine kinderen. Is dat niet riskant?

U besluit dat dit allemaal te ingewikkeld wordt en dat u het beter kunt houden bij groeten en knikjes in het voorbijgaan.

Wie zich verdiept in het recent verschenen rapport Vermaatschappelijking in de zorg van het Sociaal en Cultureel Planbureau, krijgt tussen de regels door sterk de indruk dat dit de ene helft van het verhaal is achter het falen van dit beleid. Het SCP wijst erop dat verstandelijk gehandicapten soms ook klagen over pestgedrag van jongeren in de buurt en daar zou je natuurlijk tegen op kunnen treden, maar de belangrijkste oorzaak van de isolatie van `vermaatschappelijkte' verstandelijk gehandicapten schuilt niet in het vervelende gedrag van een paar asociale raddraaiers. Die isolatie komt voort uit de rationele overwegingen van gewone, goedwillende mensen.

De andere helft van het SCP-verhaal gaat over het feit dat algemene voorzieningen (het arbeidsbureau, werkgevers, de centrale voor vrijwilligerswerk, het algemeen maatschappelijk werk en de reguliere gezondheidszorg) er niet goed in slagen hun zorg voor gehandicapten op elkaar af te stemmen. Bilateraal overleg tussen twee instanties komt wel eens voor, maar het lukt niet om structureel vertegenwoordigers van al deze instellingen om de tafel te krijgen om een `geïntegreerd zorgaanbod' te realiseren. Eerlijk gezegd lijkt mij dat ook erg veel gevraagd van deze algemene voorzieningen. Is het eigenlijk niet zo dat kwetsbare mensen die een geïntegreerd zorgaanbod nodig hebben, waarin voorzien is in een zinvolle dagbesteding, leuke sport- en spelactiviteiten, sociale contacten en permanente begeleiding, beter af zijn onder de hoede van een zorginstelling? Een zorginstelling kan kleinschalige woonvormen realiseren, zinvolle werkzaamheden bedenken afgestemd op het niveau van de gehandicapte bewoners, zij kan zich beraden op sport en spel met of zonder therapeutische bijbedoelingen, zij kan haar bewoners zelfs de mogelijkheid bieden politiek actief te worden in een cliëntenraad en aldus mee te denken en mee te beslissen over het gezamenlijke leven binnen de instelling. Voor een zorginstelling is het veel makkelijker om wonen, werken, spelen en liefhebben op elkaar af te stemmen dan voor een gemeentelijke overheid, die er als regel vanuit gaat dat burgers dit zelf doen. Dat betekent natuurlijk niet dat het leven van verstandelijk gehandicapte bewoners zich moet afspelen op het terrein van de instelling: men kan naar de dierentuin, de winkelstraat, de disco, de speeltuin, het zwembad, op vakantie en meedoen aan een algemene voetbalcompetitie. Van dergelijke `algemene voorzieningen' mag worden geëist dat zij ook toegankelijk zijn voor gehandicapten. Maar het lijkt te veel gevraagd om algemene instellingen te dwingen tot coördinatie en overleg om te komen tot een geïntegreerd zorgaanbod, zoals het ook erg veel gevraagd is van buurtbewoners om er voor te zorgen dat hun verstandelijk gehandicapte buren niet vereenzamen in de straat. Is het niet beter om energie te gaan besteden aan het zo goed en leuk mogelijk maken van instellingen in plaats van alle kaarten te zetten op de vermaatschappelijking van verstandelijk gehandicapten?

    • Margo Trappenburg