De kardoes barst

Rumoer hoort bij de Nobelprijs voor Literatuur. In de aanloop naar de bekendmaking van de nieuwe laureaat een korte serie over controversiële winnaars. Deze week: José Echegaray, winnaar in 1904.

et grootste standbeeld van José Echegaray, in 1904 de eerste Spaanse winnaar van de Nobelprijs voor literatuur, staat in Madrid, maar het is goeddeels onzichtbaar. Het bevindt zich achter de gesloten deuren van een van de best beveiligde gebouwen van de stad. Die verborgenheid lijkt geheel in lijn te zijn met de reputatie van Echegaray, die, méér dan door zijn werk, wordt herinnerd als de man van het `manifest tegen Echegaray'. Dat werd opgesteld door een groep jonge schrijvers die kort na de toekenning van de Nobelprijs 1904 te hoop liepen tegen het eerbetoon aan hun oudere collega. Zij beschouwden hem als een `idioot', die leefde in een literair verleden, als een stukje bejaard burgerlijk cultuurgoed, mijlenver verwijderd van de actualiteit van de twintigste eeuw. `Onze kunstzinnige idealen zijn andere dan die van Echegaray en wij bewonderen andere voorbeelden', schreven Azorín, Miguel de Unamuno, Rubén Dario, Manuel Machado, Ramón del Valle-Inclán, Pio Baroja en een twintigtal andere toen jonge Spaanse schrijvers in hun protest tegen de voorgenomen nationale huldiging van de Nobelprijswinnaar.

Echt ongelijk hebben ze ook niet gekregen. De `Generatie van 98', zoals de groep is gaan heten, is een van de markeringspunten in de Spaanse culturele geschiedenis, symbool voor de aansluiting die Spanje in de twintigste eeuw – met vallen en opstaan – heeft gezocht bij de moderne wereld. Zij stonden een literatuur voor die zich nadrukkelijk verbond met de maatschappij en de kwesties die in de rest van Europa speelden. Het jaar 1898 verwijst naar de korte oorlog met de Verenigde Staten, waarin Spanje zijn laatste twee koloniën (de Filippijnen en Cuba) verloor en daarmee de illusie een wereldrijk te zijn.

Echegaray, met zijn conventionele toneelstukken met een humanistische boodschap, stond symbool voor het Spanje dat zich nog altijd aan zijn eigen verleden spiegelde. Die analyse wordt inmiddels breed gedragen. Even groot als de overeenstemming over het gelijk van de jongeren, is de consensus dat het voor Echegaray allemaal erg sneu was en dat de woede van de jongeren hem ook wat conservatiever deed uitkomen dan hij in werkelijkheid was. Veel van de ondertekenaars zouden later verklaren dat ze het niet persoonlijk hadden bedoeld.

Niet dat het protest veel uithaalde: de tegenstand maakte juist dat het culturele en politieke establishment de rijen rondom Echegaray sloot, waarbij de demonstranten uiteindelijk een vierdaags festival te verstouwen kregen met toneel en parades door het centrum van Madrid en een officiële uitreiking van de Nobelprijs door koning Alfonso XIII in aanwezigheid van de Zweedse ambassadeur. En op de dag van de uitreiking, 19 maart 1905, kwam een bankbiljet met Echegarays portret in omloop.

Dat laatste was geen toevallig eerbetoon, want juist vóór zijn loopbaan als toneelschrijver had Echegaray het een en ander met papiergeld te maken gehad. Sterker, hij gold als de geestelijk vader ervan. Toen Echegaray in 1874 als 42-jarige zijn debuut maakte met de komedie El libro talonario (`Het chequeboekje') was hij namelijk minister van Financiën met een grote reputatie dankzij zijn sanering van de chaotische staatsfinanciën én de stichting van de Banco de España, Spanjes nationale bank. In het reusachtige Madrileense hoofdgebouw van die instelling staat zijn borstbeeld dan ook prominent in de hal.

Echegaray was als toneelschrijver een conservatieve negentiende-eeuwer, als econoom behoorde hij tot de vooruitstrevende mannen van zijn tijd. Hij was eigenlijk per toeval in dat vak verzeild, nadat hij als twintiger aan de weg probeerde te timmeren als ingenieur en wiskundige, lesgevend in Madrid en zijn inkomen vergrotend als bijlesleraar zolang zijn broodheren hem dat niet verboden. In 1858 publiceerde hij zijn eerste boek: Cálculo de variaciones. Er werden twintig exemplaren van verkocht. Verder publiceerde hij over astronomie, fysica, thermodynamica en landbouw tot zijn aandacht werd getrokken door de nog jonge economische wetenschap. Op zijn 33ste werd hij gekozen in de Academie van Wetenschappen. Hij begon zich steeds meer te roeren in openbare debatten, met verve pleitend voor vrijhandel, zodat hij uiteindelijk ook de aandacht van de politiek trok. Zo belandde hij in het parlement en in 1869 op een ministerszetel. Die van het ministerie van Voedsel, waarin landbouw, handel, nijverheid, openbare werken en onderwijs samenkwamen. Sterke politieke overtuigingen had Echegaray overigens niet: in de volgende tien jaar zou hij aan het landsbestuur deelnemen onder liberale, republikeinse en monarchale vlag – Spanje kende in de jaren 1870 een serie elkaar snel opvolgende machtswisselingen.

Zijn schaarse biografen beschrijven hem doorgaans in termen van variërende sulligheid: een verstandig en goedhartig man, maar ook iemand bij wie het heilige politieke vuur ontbrak, die zich de kaas nogal eens van het brood liet eten. Het is overigens de vraag in hoeverre dat beeld terecht is. De verdiensten van Echegaray op wetenschappelijk en politiek terrein maken het toch wel erg onwaarschijnlijk dat we met een doetje van doen hebben. Waarschijnlijk is er eerder sprake van een doelbewust rookgordijn van gefingeerde wereldvreemdheid.

De geringe politieke passie die uit het staatkundige doen en laten van Echegaray spreekt, maakt het, zeker achteraf, niet verwonderlijk dat de minister in 1874 het roer omgooide. Kort na Echegarays debuut – en met het grote succes van de stichting van de nationale bank als economisch wapenfeit – besloot hij zich geheel aan de literatuur te wijden en schreef hij tot de eeuwwisseling een paar toneelstukken per jaar. Daar zat weleens een mislukking tussen, maar in de loop der jaren ontwikkelde hij zich tot de meest bejubelde toneelauteur van zijn tijd, wiens werk ook met zekere regelmaat werd vertaald – vooral in Duitsland.

In Nederland zijn een paar vertalingen van zijn werk verschenen: El Gran Galeoto, algemeen beschouwd als Echegarays meesterwerk, werd in 1888 in het Nederlands uitgegeven als Galeotto – J.H. Rossing baseerde zich overigens niet op het origineel, maar op een Duitse vertaling. Tien jaar later volgde De schandvlek (El estigma) en in de reeks `Pantheon der winnaars van de Nobelprijs voor literatuur' verscheen in 1958 een deel gewijd aan Echegaray en de tweede Spaanse winnaar van de prijs, Jacinto Benavante. In dat boek staat niet alleen een uitgebreide en kritische beschouwing van Echegarays werk, maar ook een vertaling van twee toneelstukken: En el seno de la muerte (De bronzen deur) en A fuerza de arrastrarse (En kruipen maar...).

Meestal verlopen de stukken van Echegaray volgens een vast stramien: veel lyrische uiteenzettingen, meestal op rijm en eindigend in een intens-emotionele climax en niet zelden in zelfmoord. Zoals het hiernaast afgedrukte fragment uit de slotscène van De bronzen deur, waarin de held zich tot een liefdesrivaal richt. Zelf drukte Echegaray zijn poëtica ooit uit in een sonnet: `Ik kies een hartstocht, neem een idee,/ een probleem, een karakter en deponeer/ dat als compacte dynamiet in 't diepste wezen/ van een persoon die mijn geest geschapen heeft.// De intrige omringt de hoofdpersoon/ met een aantal ledepoppen die in 's werelds/ smerig slijk zich wentelen,/ of stralen in een enkel zonnelicht.// De lont ontsteek ik. Het vuur kruipt voort,/ de kardoes barst zonder mededogen/ en de voornaamste ster, zij blust de brand.// En toch, midden in deze belegering./ die ik de kunst bereid uit innerlijke drang –/ daar overvalt de ontploffing mij, onvoorzien.' Zijn personages werden zo vooral symbooldragers, wat hun waarachtigheid allesbehalve ten goede kwam.

Zijn interessantste stuk is het al genoemde El Gran Galeoto, al is het maar omdat het begint met een in proza geschreven scène, waarin de auteur bij monde van de jonge gekwelde schrijver Ernesto zijn esthetische ambities uiteenzet. Het blijkt dat hij best van de ledepoppen verlost zou willen worden. Deze Ernesto blijkt op zoek naar het enige ware drama, zonder plot, met alle mensen ter wereld als personage. Een drama zonder thema en zelfs zonder liefde, legt hij zijn oom en weldoener Don Julián uit: `Het drama vindt binnen in de personages plaats, schrijdt langzaam voort, maakt zich vandaag meester van een gedachte, morgen van een harteklop, geleidelijk ondermijnt het de wil.' Het geheel leidt onvermijdelijk tot een climax, een explosie, maar pas `als het doek valt' vertelt de jonge schrijver enthousiast. Zijn oom vindt het een slecht idee: `Er moet toch iets zijn om je mee te amuseren!' En; `Ik zou liever een toneelstuk zien dat begint als het doek is gevallen in dat stuk van jou.'

In die openingsdialoog laat Echegaray door zijn alter ego Ernesto zien dat hij wel degelijk modernere vormideeën had dan er uit het gros van zijn stukken sprak. En het is niet voor niets zijn weldoener die zijn bezwaren uitspreekt, met als argument dat er voor het publiek ook wat te beleven moet zijn. Het toont de spagaat waarin Echegaray zich kennelijk bevond: wel in staat om al denkend boven zichzelf uit te stijgen, maar niet brutaal genoeg om de kont tegen de krib te gooien.

Zoals hij ook niet durfde te weigeren toen hem in 1905 werd gevraagd om op zijn 73ste nog een jaar minister van Financiën te worden, opdat de Spanjaarden weer vertrouwen kregen in hun geld, dat inmiddels met Echegarays eigen portret van de persen rolde.

    • Arjen Fortuin