De Heer schatert het uit

Honderd jaar geleden zette Albert Einstein de natuurkunde volledig op zijn kop. Zijn relativiteitstheorie sloot naadloos aan bij een uit de voegen geraakte wereld.

Precies honderd jaar geleden publiceerde octrooigemachtigde derde klasse Albert Einstein (1879-1955) binnen zes maanden een serie baanbrekende artikelen, die de koers van de natuurkunde voorgoed zouden verleggen – een in de geschiedenis van de wetenschap ongeëvenaarde prestatie. Alleen het annus mirabilis 1665 waarin Isaac Newton, door de pest verdreven uit Londen, zijn zwaartekrachtstheorie in één keer op papier zette – om vervolgens twintig jaar te wachten met publicatie – kan daar enigszins bij in de schaduw staan. De herdenking van Einsteins wonderjaar was dan ook aanleiding om 2005 uit te roepen tot World Year of Physics, en leverde vanzelfsprekend een reeks nieuwe boeken op in de toch al niet geringe stroom van Einstein-literatuur: geen stukje van zijn leven wordt ongemoeid gelaten.

Wie wil weten waar Einstein dat aan te danken heeft en wat hij nu precies presteerde in 1905 kan kiezen uit Annus Mirabilis van John en Mary Gribbin en Einstein 1905 van John Rigden. Met name dat laatste geeft niet alleen een helder overzicht van de inhoud van de artikelen, maar schetst ook de omstandigheden waaronder ze tot stand kwamen. In zijn studententijd al toonde Einstein geen respect voor zijn leraren. Hij had een rappe tong, liet colleges lopen en haalde zijn examens met hulp van de aantekeningen van zijn vriend Marcel Grossmann. Dat leidde er toe dat hij niet in aanmerking kwam voor een positie als assistent van een hoogleraar. Na wat kortstondige betrekkingen als leraar kreeg hij uit uiteindelijk een baan aangeboden op het octrooibureau in Bern. Verstoken van elk contact met vakgenoten én van de meest recente wetenschappelijke tijdschriften – zijn artikel over de speciale relativiteitstheorie bevat geen enkele literatuurverwijzing! – verrichtte hij daar zijn wonderen.

In een brief van mei 1905 aan zijn goede vriend Constant Habicht stelt hij deze een aantal artikelen in het vooruitzicht. In het eerste, dat hij zelf `zeer revolutionair' noemt – en dat hem uiteindelijk in 1921 de Nobelprijs zou opleveren – laat hij zien dat licht uit deeltjes bestaat. In twee volgende artikelen rekent hij voor hoe je het bestaan van atomen en moleculen kunt aantonen, iets waarvan op dat moment lang niet iedereen overtuigd was, en dat je hun grootte kunt berekenen door de grillige bewegingen te volgen van stofdeeltjes in een glas water.

Alleen al met deze artikelen zou hij zijn naam definitief gevestigd hebben, maar dat deed hij (voor het grote publiek) feitelijk pas met zijn speciale relativiteitstheorie, op de voet gevolgd door de beroemdste formule ter wereld: E=mc2. Helemaal zeker van zijn zaak was hij echter niet. In opnieuw een brief aan Habicht schrijft hij rond die tijd: `Mijn argumentatie is amusant en verleidelijk. Maar wat mij betreft kan de Heer er ook om schateren en me enorm bij de neus hebben genomen.' Hij had echter wel degelijk gelijk, maar toch maakten deze artikelen hem niet direct tot een beroemdheid. Daar zou de algemene relativiteitstheorie voor zorgen, de beschrijving van de zwaartekracht als de kromming van ruimte en tijd.

In 1919 slaagt een expeditie onder leiding van de Engelse sterrenkundige Arthur Eddington er in om, gebruik makend van een zonsverduistering, de afbuiging van het licht van een ster in het zwaartekrachtsveld van de zon te meten. Daarmee bevestigde hij een voorspelling van Einsteins relativiteitstheorie. De theorie en zijn schepper werden van de ene dag op de andere een sensatie.

Relativiteit was in de mode. Ook in de beeldende kunst en de literatuur speelden zich met de opkomst van het kubisme, expressionisme en andere modernistische stromingen revoluties af. De absolute waarden van de negentiende eeuw waren door de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog weggevaagd. Einsteins wetenschappelijke theorieën pasten perfect in dit culturele klimaat. Daar kwam bij dat hij zich uitsprak over zeer fundamentele begrippen als ruimte en tijd en daar een nieuwe, mysterieuze betekenis aan gaf. `Bewegende klokken lopen trager', zo toonde Einstein aan (zie het kader). Dat niemand dat echt begreep – in 1919 heette het al dat er maar drie mensen ter wereld werkelijk snapten hoe het zat – droeg alleen maar bij aan de mythevorming.

Niemand hoefde wat Einstein betrof te denken dat hij dom was als hij de nieuwe natuurkunde niet begreep. In een interview met de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 4 juli 1921 zei Einstein daar zelf over: `Of ik het gek vind, die algemene opwinding over mijn theorieën, waar niemand een woord van begrijpt? Ik vind het grappig en interessant om te zien. Ik weet zeker dat het het mysterie van het onbegrijpelijke is, dat mensen aantrekt. Het maakt een diepe indruk op ze [...] en men wordt enthousiast en raakt opgewonden.'

Toen het hem op wetenschappelijk gebied niet echt meer voor de wind ging – tot aan zijn dood zou hij vergeefs werken aan zijn grote `unificatietheorie' – slaagde hij erin om alle aandacht voor zijn persoon te gebruiken voor het verwezenlijken van zijn maatschappelijke idealen. Nadat hij eerst in 1939 de Amerikaanse president Roosevelt had gewezen op de mogelijkheid dat Duitsland een atoombom zou kunnen maken, wat diepe indruk maakte op de president, probeerde hij zes jaar later diezelfde Roosevelt te bewegen de atoombom niet te gebruiken tegen Japan.

De rest van zijn leven zou in het teken staan van zijn pacifisme. Hij leende zijn naam en af en toe zijn persoon aan een reeks van organisaties die zich inzetten voor vrede en ontwapening. De FBI vond dat maar niets, liet hem schaduwen en legde een veertienhonderd pagina's dik dossier over hem aan. Einstein was echter onaantastbaar. Nog altijd blikt zijn karakteristieke hoofd met de enigszins trieste ogen en de warrige bos grijs haar je overal tegemoet. Het weekblad Time riep hem eind 1999 uit tot `Person of the Century'.

Wie er werkelijk achter de mythe schuilging, is lang verborgen gebleven. Bij testament had Einstein de zorg over zijn volledige literaire nalatenschap toevertrouwd aan zijn trouwe secretaresse Helen Dukas en zijn vriend Otto Nathan. Zij slaagden erin om alle publicaties die hen onwelgevallig waren, tegen te houden, zelfs wanneer deze afkomstig waren van Einsteins eigen zoon, Hans Albert. Als `de Einstein priesters' hielden zij hardnekkig het ideaalbeeld van een soort joodse heilige in stand. Pas na hun beider dood in de jaren tachtig kwam het beheer over de Einstein-papers in handen van de Hebrew University in Jeruzalem. Sindsdien is er ruimte om tot een eerlijke inventarisatie te komen en kon ook pas echt begonnen worden met het publiceren van de Collected Papers.

Die leveren af en toe interessante, nieuwe feiten op. Zo ontstond er begin jaren negentig opschudding over de eventuele bijdrage die zijn eerste vrouw Mileva Maric aan zijn theorieën zou hebben geleverd. In een brief van 27 maart 1901 schrijft hij haar bijvoorbeeld dat hij `zo trots zou zijn wanneer we samen ons werk over relatieve beweging tot een succesvol einde kunnen brengen.' Dat Maric in haar brieven nauwelijks wetenschappelijke onderwerpen ter sprake brengt, zou er op wijzen dat Einstein alle brieven waarin ze dat wel doet, en die dus een ander licht kunnen werpen op de ontstaansgeschiedenis van een aantal van `zijn' theorieën, heeft vernietigd.

In een heel aardig boek The unexpected Einstein, laat biograaf Denis Brian weinig heel van dit soort suggestieve verdachtmakingen. De eerste verhalen over Einsteins vermeende plagiaat stammen al uit de jaren twintig, toen hij als joodse wetenschapper in Berlijn bij antisemieten onder vuur kwam te liggen. Die negatieve aandacht was er mede debet aan dat hij lang moest wachten op zijn Nobelprijs, die hij uiteindelijk niet kreeg voor zijn relativiteitstheorie maar voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect.

Brian brengt verschillende mythen die zich rond Einstein hebben verzameld met kennis van zaken terug tot reële proporties. Dat betekent niet dat Einstein er ongeschonden vanaf komt. Hij moet een hopeloze echtgenoot zijn geweest. Hij zou Maric hebben gebruikt om zich los te maken van de benauwende banden van zijn familie en ook een nogal gevoelsarme vader zijn geweest voor zijn twee zoons. De oudste Hans Albert heeft zich lang van hem afgekeerd, terwijl de andere, Eduard, schizofreen was en een groot gedeelte van zijn leven in psychiatrische inrichtingen doorbracht. Veelbetekenend is in dit verband een uitspraak van Hans Albert, die in een interview een jaar voor zijn dood vol verbittering zei: `Het enige project dat mijn vader ooit heeft opgegegeven, ben ik.' Brian laat verder zien dat Einstein een onverbeterlijke rokkenjager was, die zijn beide echtgenotes eigenlijk alleen maar nodig leek te hebben om zijn persoonlijk leven enigszins op orde te houden, waar hij zelf ternauwernood toe in staat was. Een pikant detail in dit verband is dat de vrouw met wie hij misschien wel de meest intense liefdesrelatie had, een Russische spionne zou zijn geweest, wat de FBI overigens nooit heeft opgemerkt.

Al deze pikante details zijn na te lezen in de meest recente biografieën, waarvan met name die van Alice Calaprice en Trevor Lipscombe, in al zijn bondigheid, toch een goed overzicht biedt. Al moet daar direct aan worden toegevoegd dat de definitieve wetenschappelijke biografie al sinds 1986 verkrijgbaar is in de vorm van Subtle is the Lord van Abraham Pais. Zolang er echter nog nieuwe documenten opduiken en de laatste kladblaadjes nog niet zijn beschreven en geanalyseerd in de Collected Papers, is het een hachelijke zaak om een biografie over Einstein te schrijven.

Het is daarom dapper dat Martijn van Calmthout, wetenschapsredacteur van de Volkskrant, het toch heeft aangedurfd in Einsteins licht. Hij koos voor een originele invalshoek door een aantal sleutelscènes uit het leven van de fysicus te schetsen alsof hij er zelf bij was. Dat geeft een levendig beeld van de gebeurtenissen, bijvoorbeeld in het portret van Einstein als hij eindelijk het raadsel van de lichtsnelheid heeft opgelost: `Deze ochtend draaft hij dezelfde weg terug die hij gisteren mismoedig heeft afgelegd naar zijn eigen appartement. [...] Zijn jaspanden wapperen achter hem aan, een wat pafferige jonge man met donker warrig haar en een snor, zijn hoed vanwege de snelheid maar in zijn hand. Een kolossale grijns wil maar niet van zijn gezicht.'

Van Calmthout kan zich deze dichterlijke vrijheid veroorloven – hij was er tenslotte niet bij – omdat hij zijn onderwerp door en door kent: van het aantal pagina's dat Einsteins manuscripten telden, tot aan zijn gewoonte om zijn wijsvinger in een haarlok boven zijn rechteroor te draaien als hij geconcentreerd nadacht. Maar het is zeker niet alleen de aandacht voor dit soort levendige, maat op zichzelf futiele details die Einsteins Licht uittillen boven de middelmaat. Van Calmthout begijpt ook goed waar het bij Einstein werkelijk om gaat.

Zo wijst hij op de betekenis van Einsteins jeugdjaren voor zijn wetenschappelijke ontwikkeling. Zijn vader Hermann had een fabriek in elektrotechnische onderdelen en Albert groeide op met elektrische apparaten. Toen hij een jaar of tien was, werd bijvoorbeeld in het Beierse Schwabing de elektrische straatverlichting in gebruik genomen, die was aangelegd door zijn vader. Elektriciteit en licht intrigeerden hem. Daar liggen misschien wel de wortels van zijn genie. Al dacht Einstein daar zelf misschien wel anders over. Op de vraag van een collega waarom uitgerekend hij de relativiteitstheorie had ontdekt, antwoordde hij ooit: `Een volwassene denkt niet na over ruimte en tijd. Alles wat er daarover te bedenken is, heeft de volwassene naar zijn idee namelijk al in zijn vroege kindertijd bedacht. Ik ontwikkelde me daarentegen zo langzaam dat ik me pas over ruimte en tijd begon te verbazen toen ik al volwassen was. Uiteraard ben ik toen ook dieper in de materie doorgedrongen dan een kind gewoonlijk gegeven is.'

Martijn van Calmthout: Einsteins licht. Een leven met relativiteit. Contact, 204 blz. €19,90

John en Mary Gribbin: Annus Mirabilis. 1905, Albert Einstein and the Theory of Relativity. Penguin, 310 blz. €26,50

John S. Rigden: Einstein 1905. The Standard of Greatness. Harvard University Press, 192 blz. €26,50

Denis Brian: The Unexpected Einstein. The Real Man Behind the Icon. John Wiley & Sons, 260 blz. €25,50

Alice Calaprice en Trevor Lipscombe: Albert Einstein. A Biography. Greenwood Press, 161 blz. €30,–

    • Rob van den Berg