De bijbel lezen

TRENTO/CORVARA IN BADIA. De waarheid gebiedt te zeggen dat ik minder vaak alleen reis dan mijn teksten doen vermoeden. Zeker, ik reis regelmatig alleen, maar nu en dan verstop ik een medereiziger om esthetische of ethische redenen. Meestal is het een kwestie van esthetiek, de tijd dat ik veel te verstoppen had ligt achter me. En ach, dat verstoppen, het was meer amateuristische sportbeoefening dan noodzaak, bleek achteraf.

Op een dinsdagochtend zat ik op een terras in Trento, The Herald Tribune was alweer aangeschaft, en mijn reisgenote vroeg: ,,Hoe zit het eigenlijk met de baby die we gingen maken? Als we hem deze vakantie maken is hij er volgende lente. Maar als je dat liever hebt kunnen we ook nog een jaartje wachten.''

Het advies om naar Trento af te reizen had ik gekregen van een kennis. Ik had me iets anders bij de stad voorgesteld. Andere kleuren, minder toeristen. Lelijker.

,,Misschien'', zei ik, ,,zijn wij niet geschikt om kinderen te krijgen.'' En ik roerde door de koffie.

Mijn twijfel was behoedzaam geformuleerd. Ik zei geen `nee' of waarschijnlijk zei ik het wel, maar dan zoals mensen `nee' zeggen die liever met een volmondig `ja' de vraag hadden beantwoord.

,,Dus je krabbelt terug'', zei de reisgenote, ,,van de lente wilde je nog, en nu hoeft het niet meer?''

,,Nou, nee, ik krabbel niet terug, ik vraag me af of we geschikt voor zoiets zijn. We zijn snel nerveus. Ons evenwicht is wankel.''

De reisgenote bezit een poes die ze had achtergelaten in handen van wat in New York en omstreken een `catsitter' wordt genoemd. De catsitter was een Braziliaan, hij was niet op tijd komen opdagen en de reisgenote was van de onbetrouwbare Braziliaan zo in paniek geraakt dat er glazen kapot waren gegooid in de badkamer en zij in een aparte kamer was gaan slapen. Gelukkig beschikten we aan het begin van de reis nog over een ruime suite.

Begrijpelijk, dergelijke paniek, maar als een poes al zoveel ellende veroorzaakt, hoeveel ellende kun je dan niet verwachten van een baby? En er bestaat geen poezenboot voor baby's.

,,Dus je hebt me bedrogen'', zei de reisgenote, ,,van de lente heb je zelfs met me over namen gepraat.''

Van de lente had ik me aanvankelijk aangeboden als spermadonor. De reisgenote had vage plannen alleenstaande moeder te worden en joviaal als ik ben had ik gezegd: ,,Als je zaad nodig hebt, neem het mijne.''

Het donorschap was in onze gedeelde mythe uitgegroeid tot parttime vaderschap en dat was in theorie leuk, maar nu het mij zo op de man af werd gevraagd, met tijdschema en al, nam de aarzeling toe.

,,Waarom heb je van de lente gezegd dat je het nog wilde?''

Het gesprek werd een verhoor. Anders dan bij een verhoor helpt schuld bekennen in deze gevallen niet.

,,Ik weet niet wat me van de lente bezielde, ik denk dat het een roes was.''

,,Een roes? Je zei het gewoon omdat je me terug wilde. Je bent niets veranderd.''

,,Laten we een stukje lopen'', zei ik.

Lopen doet soms wonderen. In dit geval bleven de wonderen uit.

De reisgenote zei: ,,Ik moet alleen zijn. We spreken om twee uur af op het grote plein.''

Ik liep terug naar het hotel, pakte de bijbel uit mijn koffer, want die moest ik deze zomer in zijn geheel lezen, en probeerde me te concentreren.

Een mens moet zich niet laten meeslepen door zijn fantasie. De fantasie is een afgod. Hij dient zich te beperken tot wat hem wordt voorgespiegeld als realiteit.

De reisgenote wilde een kind, zij moest een man zoeken die haar dat kind ging geven en als er genoeg tijd was verstreken, kon ik op kinderpartijtjes verschijnen als goochelaar. Er bleef veel om spijt over te hebben, maar er blijft altijd van alles om spijt over te hebben. Als ik moet kiezen tussen spijt en geluk kies ik de spijt.

Met deze gedachten liep ik naar het plein. Ik sprak de gedachten ook nog uit, en het bleek dat de reisgenote er net zo over dacht.

,,Ik wil helemaal geen kind meer van je'', zei ze. ,,Alleen nog even over deze vakantie. Zullen we die gewoon afmaken?''

,,Uitstekend'', zei ik.

Het grootste nadeel van alleen zijn is dat er dan niemand is bij wie je je venijn kwijt kunt.

Bovendien was de reisgenote vertrouwd gezelschap, we hielden min of meer van dezelfde dingen. Regelmatig walgden we van elkaar, maar het was tedere walging.

Zo reisden we af naar Corvara in Badia, in de bergen van Süd-Tirol, waar ik van plan was eindelijk de bijbel grondig te lezen. In Trento was het er niet van gekomen. De theoretische baby had veel tijd gekost.

Het hotel in Corvara was een familiehotel, met 's avonds een barpianist die Italiaanse liederen op een synthesizer speelde.

Ik was tevreden.

,,Hier moet ik Baby Rat en zijn moeder eens mee naartoe nemen'', zei ik bij het avondeten. Dat was niet tactisch, maar ik voegde eraan toe dat ik natuurlijk ook als peetvader voor de baby van de reisgenote beschikbaar was. En toen ze daarop antwoordde dat ze mij liever niet als peetvader had, begreep ik dat goed.

Er bestaat Das Prinzip Hoffnung, maar Das Prinzip Bedauern bestaat ook, en wie zich dat principe heeft toegeëindigd begrijpt veel.

Luisterend naar de barpianist vroeg ze ,,wat voor man ga ik krijgen?''

Ik zei ,,een sportman.''

Er was vrede. Overal nam ik de bijbel mee.

,,We gaan niet meer met elkaar naar bed'', zei de reisgenote. ,,Dat kan nu niet meer.''

,,Nee, nee'', zei ik, ,,we moeten nu een vader voor je kind zoeken.''

De volgende ochtend, na het ontbijt, werd ik in de badkamer van onze kamer in Hotel Sassongher in elkaar geslagen. Zonder aanleiding.

,,Gisteravond was alles nog prima'', zei ik nadat het slaan een einde had genomen.

Vervolgens begon de reisgenote gehaast maar systematisch haar koffers te pakken.

,,Ik ga'', zei ze.

Het in elkaar slaan vond ik niet erg, maar je moet niemand hysterisch door de Dolomieten laten rennen.

Er zit zorgzaamheid in mijn walging. En voorkomendheid. Dat is mijn liefde. Anderen hebben meer tot hun beschikking, maar die krijgen ook meer.

,,Doe rustig'', zei ik.

,,Hier'', riep ze, en ze hield een schriftje onder mijn neus, ,,hierin wilde ik een dagboek bijhouden van de reis.'' Het schriftje werd verfrommeld.

Ik kan daar slecht tegen. Als dingen worden kapotgemaakt breek ik.

Het gat tussen fantasie en werkelijkheid wordt zichtbaar en dat gat is ontroerend. Dat gat is eigenlijk ondraaglijk.

Van voorstellingen van de toekomst heb ik zelf weinig last. Kerst 2005, daar houdt mijn voorstelling van de toekomst wel op.

Het kalmeren lukte.

,,Ik ga alleen door de bergen wandelen'', zei de reisgenote.

,,Heel goed.''

Ik ging op een bankje zitten met de bijbel.

Na een halfuur kwam de reisgenote voorbij.

,,Wat doe jij hier?'' vroeg ik.

,,Ik heb even getelefoneerd.''

,,Waarom moet je iedereen inlichten over je gemoedstoestand?''

,,Dat jij nou geen vrienden hebt. Bovendien, je schrijft het op in de krant.''

,,Maar als mensen het lezen, kunnen ze ophouden met lezen of er helemaal niet mee beginnen. Als ze je belt kunnen ze moeilijk zeggen `het interesseert ons niet, rot op met je verhalen.' Nee, ze moeten zich ook nog inleven, ze moeten zeggen `ach arme, wat naar voor je, wat vreselijk, heeft die klootzak het weer gedaan?'

Daarop liep ze met vaste tred de berg op.

Tijdens het lunchuur belde ik haar op met de vraag of ze misschien wilde lunchen, maar ze zei dat ze al had gegeten.

's Avonds was ze zo gekalmeerd dat het leek alsof ze valium had geslikt. Ze was zelfs bereid met mij te zwemmen.

Nu er geen twijfel over kon bestaan dat we een gescheiden toekomst tegemoet gingen konden we eindelijk liefdevol onze baantjes trekken.

(wordt vervolgd)