Afzien op een atol

Het klinkt net zo onwaarschijnlijk als het in werkelijkheid is: Kiribati. Een voormalige Britse kolonie, ook wel bekend als de Gilbert Islands. Dit eilandenrijk net boven de evenaar, met wuivende palmen en parelwitte stranden omspoeld door het diepe blauw van de Stille Zuidzee, oogt als een Bounty-paradijs. Maar wie er langer dan een paar dagen rondloopt zou wel eens tot de conclusie kunnen komen dat het wellicht het Meest Verschrikkelijke Oord op aarde is.

Dat is waardevolle informatie. Afgezien van de bevindingen van enkele verdwaalde avonturiers en missionarissen was er immers weinig bekend over deze drieëndertig koraalatollen aan het einde van de wereld. Maarten Troost, een Amerikaanse journalist (met een Nederlandse vader), heeft dan ook pionierswerk verricht met zijn boek Het sexleven van kannibalen dat is gebaseerd op zijn ervaringen tijdens een tweejarig verblijf op Tarawa, hoofdeiland van de Republiek Kiribati.

Dat uitgerekend dit reepje land van amper twintig vierkante kilometer (`ruwweg de omvang van een oprit in Illinois') een `adrenalinejunk' als Troost iets te bieden zou hebben lijkt niet aannemelijk. Een misvatting, zo blijkt al gauw. De dagen op het atol zijn `geweldig' of `verschrikkelijk', maar saai zijn ze nooit, stelt hij vast. Het beste bewijs is zijn boek, dat veel avonturenromans doet verbleken tot landerige verhaaltjes.

Terwijl vriendin Sylvia de I-Kiribati enige basisverzorging probeert bij te brengen, neemt de schrijver (die kampt met een hardnekkig writer's block) het huishouden op zich en verkent zijn nieuwe omgeving. De eerste cultuurschok dient zich aan in zijn achtertuin. Daar lokt de Stille Oceaan. De verzengende hitte doet hem besluiten tot een verkwikkende duik in de golven. Hij vreest een ontmoeting met een hamerhaai. Of een tijgerhaai. Of desnoods een gestippelde rifhaai. Maar hij wordt belaagd door iets veel ergers. Vlakbij, in het ondiepe water, zit een grote bruine man te schijten. Het is geen particuliere hebbelijkheid van deze bewoner, zo merkt hij, maar algemeen gebruik op het eiland. En dan ruikt hij het ook: de allesoverheersende stank van stront. Stront die bij eb blijft liggen op het strand. `Hier moest lering uit worden getrokken, voelde ik. (...) We waren niet langer in Washington. Er is veel gezeik in Washington, maar geen stront. (...) Overleven op Tarawa, wist ik, zou afhangen van je reactie op het absurde, en dus besloot ik de stront te negeren, (...). Want de stront op Tarawa kan je in potentie tot waanzin drijven. Dat staat als een paal boven water.'

Troosts zonnige natuur blijkt zijn overlevingskansen op Kiribati aanmerkelijk succesvoller te maken dan van de meeste daar gestationeerde westerlingen. Die geven er vaak voortijdig de brui aan. Troost brengt veel tijd door in en op het water. Met een grote dosis zelfspot beschrijft hij zijn hachelijke avonturen op de surfplank en in een wankel bootje tussen huizenhoge golven. Toch heeft ook hij aanvankelijk vooral oog voor de schaduwzijde van het leven op het eiland dat bijkans bezwijkt onder overbevolking, armoede, ziekte en vervuiling. Schoon drinkwater en gezond voedsel (de vis is meestal vergiftigd door het vervuilde zeewater) zijn een schaars goed.

In de paar winkels die het eiland telt ligt het personeel lusteloos over de toonbank omdat er niets te verkopen valt. Een landbouwtraditie ontbreekt als gevolg van droogte en de onvruchtbare koraalgrond. De eilanders zijn afhankelijk van de tonijnvangst, maar soms vangen ze tijden niets als de Koreaanse sleepnetten – met toestemming van de Kiribati-regering – de zee hebben leeg geschept. Als er geen vis is, eten ze hun schurftige honden, die ze wegspoelen met bier terwijl ze eeuwig luisteren naar de grijs gedraaide pophit La Macarena. Er zijn meer sporen uit de westerse wereld: zoals het onafbreekbare afval en de overblijfselen van de Battle of Tarawa, een bloederige confrontatie in 1943 waarbij 5.500 Amerikanen en Japanners de dood vonden.

Maarten Troost registreert alle misstanden met veel gevoel voor drama en, inderdaad, een scherp oog voor het absurde. Die combinatie maakt Het sexleven van kannibalen tot een meeslepend en buitengewoon amusant boek – met een verrassend einde. Na twee jaar realiseren Sylvia en hij zich dat ze zich thuis zijn gaan voelen in de `smerige, ongezonde hellepoel.' Ze zijn heuse eilanders geworden.

Maarten Troost: Het sexleven van kannibalen. Leven op een onbewoonbaar eiland. Vertaald door Richard Kruis. Vassallucci, 319 blz. €19,95

    • Noor Hellmann