Ontwikkelingsbeleid moet op de helling

Deze maand komen staatshoofden en regeringsleiders in New York bijeen voor de VN-top over bestrijding van de armoede in de wereld. Voor wat Nederland betreft moet minister Bot van Buitenlandse zaken het heft in handen nemen en een integraal Nederlands beleid formuleren voor de relaties met opkomende economieën, betoogt Ferdinand van Dam.

De aloude tweedeling tussen rijke landen enerzijds en ontwikkelingslanden anderzijds is achterhaald. Er tekent zich een nieuwe groep landen af die, hoewel het inkomen per hoofd van de bevolking zeer laag is, naar buiten toe een agressief economisch beleid voert en er in geslaagd is een concurrerende positie op de wereldmarkt te veroveren. Zie bijvoorbeeld China, India, Brazilië, Zuid-Korea en Taiwan.

Zij heben hun ontwikkeling bereikt door eerst een beschermde interne markt op te bouwen waarna zij stap voor stap tot liberalisering zijn overgegaan. Gelukkig hebben zij zich niets aangetrokken van de orthodoxe ideeën van prof. Mennes (NRC Handelsblad, 28 juli), die onbezonnen liberalisering bepleit, zonder rekening te houden met de specifieke positie waarin landen verkeren. Landen die zijn recept volgden is het slecht vergaan: met name in Oost- en West-Afrika (Kameroen, Ivoorkust, Ethiopië en Kenia).

Anno 2005 staat ontwikkelingssamenwerking voor de vraag wat voor beleid tegenover deze `opkomende economieën' moet worden gevoerd. Die vraag was al urgent toen India – onze grootste afnemer van hulp – twee jaar geleden liet weten Nederlandse hulp niet meer op prijs te stellen. Haagse politici reageerden licht beledigd op deze mededeling maar konden niet anders doen dan haar te respecteren.

Er doen zich met betrekking tot de opkomende economieën twee ontwikkelingen voor: enerzijds zitten Nederlandse bedrijven niet stil als het gaat om orders, investeringen, uitbestedingen en overnames, anderzijds doen zich conflicten voor: spotgoedkope textiel overstroomt de Eurpese markt, er is vrees voor banenverlies als gevolg van outsourcing alsmede voor de ondergang van de landbouw in de rijke landen. Bij zulke problemen moet de overheid te hulp schieten via bijvoorbeeld importquota's, importheffingen, subsidies en vooral harde onderhandelingen in Brussel en in gremia als de Wereldhandelsorganisatie.

Het merendeel van de armen woont in de opkomende economieën. Deze landen krijgen niet of nauwelijks ontwikkelingshulp, de armoede vermindert er snel en zij nemen voluit deel aan de wereldeconomie. Zij kunnen de zogeheten Millennium Doelen (halvering van de armoede, lager onderwijs voor alle kinderen, bij onderwijs geen discriminatie naar sekse, tweederde vermindering van de kindersterfte, vermindering van kraamvrouwensterfte met driekwart, voorbehoedsmiddelen voor iedereen, herstel van het milieu en een wereldwijd partnership for development) die in 2000 in VN-verband zijn geformuleerd in 2015 wel halen. Maar dat is afhankelijk van de houding die de rijke landen op de terreinen van handel en financiën tegenover deze landen innemen. Ontwikkelingshulp speelt voor deze landen, anders dan voor de arme landen in met name Afrika, geen wezenlijke rol meer, schuldverlichting evenmin.

Feit is dat ons beleid jegens de opkomende economieën wordt bepaald door de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Financiën. Deze ministers hebben elk een eigen agenda, gericht op het Nederlands belang. Dat blijkt uit de posities die zij bij internationale onderhandelingen innemen.

Die posities komen steeds haakser te staan op die van de opkomende economieën naarmate deze concurrerender worden op steeds meer markten. In feite leven wij met de opkomende economieën in een economisch conflict zoals met de Verenigde Staten en Japan.

De ministers van Economische Zaken, Landbouw en Financiën worden niet gehinderd door de – door Nederland omhelsde – Millennium Doelen omdat die alleen over een vaag `partnership for development' spreken zonder daaraan concrete inhoud te geven. Zij worden ook niet gehinderd door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking die in de praktijk geen invloed heeft op de Nederlandse positie als het om internationale economische onderhandelingen gaat.

De conclusie is dat Nederland jegens de landen waar het merendeel van de armen woont een beleid voert dat het ontwikkelingsproces van deze landen eerder frustreert dan stimuleert. Zo weigeren wij hun producten tot onze markten toe te laten als dat tegen onze belangen indruist. Tegelijkertijd eisen wij onbeperkt toegang tot hun markten voor onze producten en investeringen terwijl dat zeer vaak de daar bestaande productie schaadt.

Wie moet orde scheppen in deze chaos van veranderde betrekkingen, tegenstrijdige belangen en verwarrende competenties? Minister van Ardenne mist daarvoor de bevoegdheden.

Bovendien komt zij voort uit de wereld van particuliere hulporganisaties met alle beperktheden van dien. Zij heeft dat niet gecompenseerd door zich met breder georiënteerde adviseurs te omringen. Integendeel, haar vijf meest invloedrijke vertrouwelingen hebben geen economische achtergrond en geen internationale bestuurlijke ervaring.

Het wordt tijd dat minister Bot het heft in handen neemt en als minister van Buitenlandse Zaken een nieuw, integraal Nederlands beleid formuleert voor de relaties met de opkomende economieën. Moge Bot premier Balkenende naar New York vergezellen.

Prof.dr. F. van Dam is oud-bewindvoerder van de Wereldbank en oud-ambassadeur bij de OESO.

    • Ferdinand van Dam