Nederland kan leren van New Orleans

Het is goed dat Nederland kennis neemt van de ervaringen in New Orleans, omdat wij ook grotendeels beneden de zeespiegel wonen en werken, menen S.N. Jonkman en J.K. Vrijling.

De rampzalige gevolgen van de overstroming van New Orleans illustreren een belangrijke keuze van moderne samenlevingen. Al eeuwenlang worden menselijke beschavingen bedreigd door natuurrampen zoals overvloedige regenval, aardbevingen, stormvloeden en bosbranden die het leven kosten aan enkele individuen of zelfs hele groepen. Ook de materiële schade en het verlies van onvervangbare zaken spelen bij dergelijke rampen.

Eén van de keuzen van de maatschappij is tot welk niveau zij haar individuele leden en groepen beschermt tegen natuurrampen. Die verplichting tot keuze is mede het resultaat van de enorme technische ontwikkeling, die de bescherming mogelijk maakt.

Vroeger werd de bescherming verbeterd ná het optreden van een ramp. Tegenwoordig tracht men die bescherming al te geven als het risico te groot wordt gevonden. Door die bescherming, in de vorm van hoge dijken tegen stormvloeden, sterke gebouwen tegen aardbevingen, verkleint men de kans op ernstige gevolgen. Daarmee wordt ook het risico als kans maal gevolg kleiner.

Dat het risico niet tot nul gereduceerd wordt, wat in eerste instantie wenselijk lijkt, komt omdat de bescherming investeringen vraagt.

Hier komt de maatschappelijke afweging: hoeveel geld wil men besteden aan het verkleinen van de kans op een ramp met aanmerkelijke gevolgen? Het gaat om een bijzonder lastige afweging omdat de gevolgen niet alleen weegbare componenten bevatten, zoals materiële schade, maar ook moeilijk weegbare zoals het verlies van mensenlevens en bijvoorbeeld culturele erfgoederen.

Na de ramp van 1953 heeft de Deltacommissie de afweging gemaakt door de investering in dijkversterking af te wegen tegen de reductie van het materiële risico, de kans maal het gevolg dat toendertijd op 24 miljard gulden voor Zuid-Holland werd geschat. De uitkomst was dat een kans op overstromen van 1/125.000 per jaar (herhalingstijd van 125.000 jaar) economisch optimaal was. Het verlies aan mensenlevens durfde de Deltacommissie niet in aanmerking te nemen. Het resultaat van de daaropvolgende politieke besluitvorming was dat wij onze zeedijken ontwerpen op een storm met een herhalingstijd van 10.000 jaar. De beelden van New Orleans laten zien wat het gevolg is als een moderne stad die circa 4 meter onder de zeespiegel ligt, onderloopt. Zowel in materiële als immateriële zin. De Amerikaanse samenleving heeft deze stad met dijken beschermd tegen een hurricane van categorie 3 met een herhalingstijd van ongeveer 30 jaar. Een enorm verschil met ons niveau van bescherming. Het was te verwachten dat Katrina als categorie 4 hurricane een overstroming zou veroorzaken.

Het is interessant te speculeren over de oorzaak van dit verschil. Eén element is dat in Amerika het rendement op investeringen een belangrijke rol speelt. Een hoge rendementseis leidt tot een kortere tijdshorizon en daarmee tot lagere beschermingsniveaus.

Ten tweede legt de Amerikaanse samenleving traditioneel een grote verantwoordelijkheid bij het individu, waardoor de overheid minder hoeft te doen. Dit vormt weliswaar vaak een sterke impuls voor de flexibiliteit en de economische groei, maar in een rampsituatie blijkt ook een schaduwzijde van dit model. Men zet niet in op het collectief voorkomen van overstromingen (bijvoorbeeld met dijken betaald uit belastinggelden), maar op het beperken van de individuele schade (bijvoorbeeld door middel van verzekering).

Ten derde zien we dat de bestuurders in New Orleans ervan uitgaan dat de inwoners na een waarschuwing op eigen initiatief vluchten om het leven te redden met achterlating van hun bezittingen. De armere bevolkingsgroepen, die achterbleven, zijn hard getroffen. Meestal wonen zij in woningen en op plaatsen die kwetsbaar zijn bij storm en overstroming. Door een informatieachterstand en het ontbreken van vervoersmiddelen waren zij niet in staat te evacueren.

De achterblijvers zijn afhankelijk van min of meer geïmproviseerde reddingsoperaties in de onder water staande stad. Dat er weinig mededogen is met de achterblijvers blijkt uit de uitspraak van Terry Ebbert, directeur Binnenlandse Veiligheid voor New Orleans, die de ramp een harde les noemde voor degenen die het bevel tot evacuatie hadden genegeerd: ,,Voor sommigen van hen was het de laatste nacht op aarde.'' (NRC Handelsblad, 31 augustus).

Het is goed dat Nederland nauwkeurig kennisneemt van de ervaringen in New Orleans, omdat wij ook grotendeels beneden de zeespiegel wonen en werken. Door het uitblijven van een overstroming in Nederland sinds 1953 lijkt dit een cliché geworden en hebben veel mensen in ons land het zicht verloren op de enorme gevolgen van een overstroming.

Waarschijnlijk zal de schade in New Orleans honderden slachtoffers en tientallen miljarden directe economische schade omvatten. Hierbij komt dan nog de sociale ontwrichting (plundering, schietpartijen) en de indirecte economische effecten (bijvoorbeeld daling toerisme, de stijging van de olieprijs). Mogelijk is op grote schaal sprake van vervuiling uit beschadigde chemische installaties.

Aandacht voor de gebeurtenissen in New Orleans is van belang omdat het Nederlandse waterbeleid in Amerikaanse richting koerst, waarbij men de beperking van de gevolgen onderzoekt, bijvoorbeeld door individuele verzekering en door verbetering van evacuatie en rampenbestrijding en compartimentering van polders en minder denkt aan een verkleining van de overstromingskans.

De ravage in New Orleans roept de vraag op of het verstandig is om in Nederland verder in te zetten op de beperking van de gevolgen van overstroming (voornamelijk minder verdronkenen, materiële schade blijft), of dat een beperking van de kansen de voorkeur verdient.

Eind dit jaar wordt dit debat extra actueel omdat het ministerie van Verkeer en Waterstaat dan komt met nieuwe berekeningen van de echte overstromingskansen van 16 dijkringgebieden in Nederland. Dan zullen ook wij voor keuzen staan.

Ir. S.N.Jonkman is promovendus Waterbouwkunde aan de Technische Universiteit Delft; prof ir J.K.Vrijling is hoogleraar Waterbouwkunde aan diezelfde universiteit.