Ernstiger dan Vietnam

Vergelijkingen van de oorlog in Irak met die in Vietnam, lange tijd taboe in conservatieve kringen, worden nu ook daar toegelaten en gemaakt. Het bewijs is in deze krant (27/28 augustus) geleverd door Henry A.Kissinger. In een uitvoerig artikel zet hij uiteen onder welke omstandigheden terugtrekking van de troepen uit Irak aanvaardbaar zou zijn. Kissinger heeft ervaring. In 1972 en 1973 voerde hij met de Noordvietnamese politicus Le Duc Tho de onderhandelingen over de Amerikaanse terugtocht uit Vietnam, met succes, en daarvoor kregen ze samen de Nobelprijs voor de vrede. Twee jaar later waren Noord en Zuid tot een communistische staat verenigd.

Kissinger maakt een vergelijking tussen de slotfase van Vietnam en de onzekere toestand in Irak van nu. Hij gaat niet in op de wordingsgeschiedenis van de Vietnamese oorlog. De dominotheorie die verklaarde dat als één land voor het communisme was gevallen, het andere onherroepelijk zou volgen. De sfeer van de Koude Oorlog. Het ultraradicalisme tegen mensen die `soft' waren tegen de `commies'. En onder die omstandigheden de golf van patriottisme die Amerika overspoelde in 1964 na het Tonkin-incident waarbij de Amerikaanse torpedojager Maddox werd aangevallen. Amerika is in de Vietnamse oorlog terechtgekomen als gevolg van een wel begrijpelijke maar verkeerde politieke diagnose, onder andere geschraagd door een aantal doelbewuste misleidingen. (Later bekend geworden door de publicatie van de Pentagon Papers).

Onder twee presidenten, Johnson en Nixon, hebben de Amerikanen de strijd volgehouden. Achteraf kunnen we van mening verschillen over de vraag of strikt militair Amerika de oorlog heeft verloren. Maar daar gaat het niet om. Het ontbrak aan de politieke wil die nodig was om de strijd voort te zetten. Washington had zichzelf verstrikt in wat senator William Fulbright heeft genoemd the arrogance of power. Voor straf werd hij door zijn tegenstanders senator Halfbright genoemd. Nadat in acht jaar 1,2 miljoen mensen onder wie meer dan 55.000 Amerikanen het leven hadden verloren, was het genoeg. Vooral door binnenlands verzet is de oorlog aan zijn eind gekomen.

Er zijn wel parallellen tussen de voorgeschiedenis van Vietnam en die van Irak. Daarover schrijft Kissinger niet. Hij blijft bij de actualiteit: de vraag wat er moet gebeuren opdat de Amerikanen Irak na gedane zaken met ere kunnen verlaten. Het is als een boodschappenlijst. Er moet een uitgebreide, eerste klas inlichtingendienst zijn, een betrouwbaar nationaal leger dat de steun van alle volksdelen heeft en dat daarom ,,een afspiegeling moet vormen van de ethnische verscheidenheid''. Kissinger noemt ,,het axioma dat guerillastrijders winnen zolang ze niet verliezen''. Daarom kunnen de Amerikanen niet tevreden zijn met handhaving van de bestaande veiligheidssituatie. Er moet een gestage, zichtbare verbetering zijn.

Al die boodschappen zijn tweeënhalf jaar na het begin van de oorlog nog niet gedaan. Een groot gebrek aan tolken hindert de inlichtingendienst. Het Iraakse leger dat al ruim anderhalf jaar in staat van oprichting is, blijft een onbetrouwbare strijdmacht waarin zeker niet de ethnische verscheidenheid vertegenwoordigd wordt. Net als in Vietnam worden nu in Irak telkens wel nieuwe mijlpalen bereikt en laatste stuiptrekkingen gesignaleerd, maar daarmee wordt de hoop op een snelle en goede afloop niet versterkt. De mijlpaal van de nieuwe grondwet kan ook de blauwdruk voor een burgeroorlog worden. Hoe meer officieel optimisme, hoe sterker dit door inflatie wordt getroffen.

Vietnam is een historische tragedie, maar die heeft zich afgespeeld in de marge van de Koude Oorlog. De grote worsteling is niet op de slagvelden beslecht. In geopolitiek opzicht is Irak veel belangrijker. ,,Is het mogelijk dat daar langs constitutionele weg een echte natie onstaat?'' vraagt Kissinger zich af. ,,Het antwoord zal bepalen of het land een baken wordt voor een hervormd Midden-Oosten, dan wel de kern van een steeds verder om zich heen grijpend conflict. Om die reden zou de planning tot terugtrekking gepaard moeten gaan met een of ander politiek initiatief dat aanstuurt op een internationaal kader voor de toekomst van Irak. Sommige van onze bondgenoten zouden het liefst toeschouwer blijven, maar daarmee is hun veiligheid niet gediend. Hun medewerking is vereist, niet zozeer voor de militaire als wel voor de politieke taak, die bovendien zal uitmaken in hoeverre het Westen de politieke bekwaamheid bezit om een mondiaal bestel tot stand te brengen dat aansluit bij zijn behoeften.''

Ik citeer uitvoerig omdat ik het wijze woorden vind. Maar er ontbreekt iets aan. Aan waarschuwingen van grote bondgenoten heeft het niet ontbroken toen de oorlog in voorbereiding was. President Bush en de zijnen waren ontoegankelijk. De filosofen van de Amerikaanse regering stelden vast dat `het oude Europa' voornamelijk uit een stel lafaards bestond. De Amerikaanse supermacht bleef zich verder van de rest van de wereld verwijderen, niet alleen in Irak. Ook in de rechtspleging (Abu Ghraib, Guantanamo, uitbesteding van martelingen aan een ander bevriend maar onguur buitenland), bestrijding van aids in Afrika (geen condooms maar onthouding), het opzeggen van het verdrag van Kyoto (hoe gebrekkig ook, maar wel een begin) en nu de hervorming van de Verenigde Naties volgens een dictaat waarvan de aflevering aan John Bolton is toevertrouwd.

In grote delen van Europa wordt de ernst van Irak wel begrepen. Een burgeroorlog, met het risico dat daarin de buurlanden Syrië, Iran en Saoedi- Arabië op een of andere manier zouden worden betrokken, is een nachtmerrie. Het probleem voor Europa is niet, dat het zich dit zwarte scenario niet kan voorstellen. De onbeantwoorde vraag is, hoe de Amerikaanse president kan worden bereikt, hoe hij voor andere oplossingen ontvankelijk kan worden gemaakt. Met zijn We will prevail blijft hij steken als een grammofoonnaald in een groef. Zoals het er nu uitziet, zijn het alleen de Amerikanen zelf die dit bewind tot andere gedachten kunnen brengen. Dat is nu de grote overeenkomst met Vietnam.

    • H.J.A. Hofland