Afrikanen in Parijse huizen vrezen het vuur

Weer ging in Parijs een vrijwel onbewoonbaar maar overbevolkt pand in vlammen op. Weer waren de slachtoffers zwarte Afrikanen.

In de verveloze hal van het pand nummer 150 aan de Parijse boulevard Vincent-Auriol weet bewoner Emmanuel Brou Bry het zeker. ,,Natuurlijk gaat hier ook brand gesticht worden. Dacht je soms dat het toeval was, dat de doden steeds zwarte Afrikanen zijn?''

,,Helemaal niet!'', schreeuwt zijn buurman. ,,Er is hier niets aan de hand. Wat nou, brandgevaar?'' Het halletje vult zich razendsnel met opgewonden mannen. Vrouwen met kinderen aan de hand wachten gelaten tot zij gelegenheid zien langs de kluwen schreeuwers te glippen. De reling van het houten trapje achterin de hal buigt vervaarlijk als er steeds meer bewoners op het tumult afkomen. Om mee te schreeuwen.

,,We zijn bang dat ze hierheen komen om te demonstreren'', verklaarde even daarvoor een agent bij de dranghekken aan beide zijden van de Rue du Roi Doré. In het straatje, middenin de modieuze Marais-wijk in Parijs en op nog geen steenworp afstand van Musée Picasso, herinneren slechts een penetrante brandlucht en een zwartgeblakerde gevel aan het drama van maandagavond.

De vuurzee, waarin zeven mensen omkwamen, past inmiddels in een patroon. Opnieuw ging het om een vrijwel onbewoonbaar maar niettemin overbevolkt pand. Weer was er slechts één vluchtweg, een houten trap, waardoor de brand zich, als door een schoorsteen aangejaagd, verspreidde. En weer waren de bewoners en slachtoffers zwarte Afrikanen.

Branden eisten de afgelopen maanden in Parijs het leven van bijna vijftig mensen. In april vielen vierentwintig doden bij een brand in een pension bij de Opéra. Afgelopen vrijdag: zeventien doden ten gevolge van een brand in een pand aan de boulevard Vincent-Auriol. Drie dagen later, maandag, was Rue du Roi Doré aan de beurt. Volgens het stadhuis telt Parijs meer dan duizend ernstig vervallen, zeer brandgevaarlijke panden.

Bij de dranghekken voor het uitgebrande pand aan de boulevard Vincent-Auriol, in het dertiende arrondissement, herschikt Laurence, een jonge, zwarte vrouw, de paar door rouwenden neergelegde bosjes bloemen. Ze overhandigt een oproep tot een demonstratie en verzucht: ,,Het lijkt wel opzet, speciaal tegen ons gericht. Maar het is de armoede die doodt.''

Zij en een groepje mannen in djellaba's verwijzen naar nummer 150, enkele blokken hogerop, aan dezelfde boulevard. ,,Daar is de toestand erger dan hier het geval was.'' Een jochie van nog geen zeven jaar werpt zich op als gids. ,,In ruil voor wat?'', fluistert hij. Hij heeft pech: nummer 150 is van grote afstand herkenbaar. De afgebladderde, gescheurde gevel zindert in de hete middagzon. Op alle zeven verdiepingen hangen bewoners, uitsluitend zwarte Afrikanen, uit de ramen. Een in vergulde letters bedrukt bord naast de verveloze ingang vermeldt dat hier een Ivoriaans studentenhuis gevestigd is.

Aan de overkant van de ventweg komt direct een groepje jonge Afrikanen in beweging. Schreeuwend verklaren ze het bezoek ongewenst.

Hetzelfde geldt even later voor een zwarte fotograaf. ,,Dit is Afrika'', zegt hij geruststellend. ,,Geduld en praten, praten en geduld, dan komt alles goed.''

[Vervolg BRAND: pagina 5]

BRAND

'Ze krijgen ons hier niet weg'

[vervolg van pagina 1]

Emmanuel Brou Bry heeft tot nu toe alleen maar geschreeuwd, in moeilijk te volgen Frans. De pers liegt, volgens hem. Hij schreeuwt en schreeuwt – en eist ineens luidkeels dat we binnenkomen.

Bijna tachtig gezinnen wonen in het studentenhuis. Elk gezin, van vier, vijf personen woont op twaalf vierkante meter, net als dat van Brou. In het met spullen volgestouwde, onverlichte halletje doen een fonteintje, een koelkast en een tegen de muur geklemd fornuis dienst als keuken. Het kamertje is gevuld met matrassen en bergen kleren. Er balanceert een televisie in de vensterbank, het raam is kapot. Iedere verdieping telt, achter bordkartonnen deurtjes, tien tot twaalf van deze `studio's'. Per verdieping is er één wc en één douche, met alleen koud water.

Ook hangen er de water- en gas- en lichtrekeningen van vorige maand. Vijftienhonderd euro bij elkaar. Te delen door tachtig. Huur wordt volgens Brou niet betaald. Hij toont een rechterlijke uitspraak van afgelopen mei. Alle bewoners hadden voor 1 augustus het pand moeten verlaten.

Ook dat lijkt een patroon. De eigenaar van het uitgebrande pand in de Marais heeft jarenlang geprobeerd zijn in 1999 gekraakte eigendom te laten ontruimen. De rechter stelde hem vonnis na vonnis in het gelijk, maar de politie weigerde ontruiming. Die zou betekenen dat tientallen illegalen op straat zouden belanden. En de wet verbiedt de overheid illegalen te huisvesten. Pas negen maanden geleden kocht de gemeente het pand aan. Ook het `studentenhuis' aan de boulevard Vincent-Auriol gaat volgens Brou `van hand tot hand'.

Speculatie, armoede, illegaliteit, de principiële weigering van de overheid voor illegalen te regelen en een huizenmarkt die het zelfs voor tweeverdieners vrijwel onmogelijk maakt iets ruimers dan dertig, veertig vierkante meter te kopen: dat is het mengsel van oorzaken die aan de branden ten grondslag liggen. Onderzoek moet de materiële oorzaak van de recente branden nog uitwijzen: opzettelijke brandstichting wordt niet uitgesloten.

Nachtelijke bewaking hebben de bewoners van nummer 150 nog niet georganiseerd. Voor het moment lopen de gemoederen te hoog op. Brou wil de pers toelaten, om de erbarmelijke toestand in het pand aan de kaak te stellen. Hij trekt aan de arm van de fotograaf. Maar aan diens andere arm trekt een buurman die 'onder geen beding pottenkijkers' wil. Dagblad Le Parisien heeft in een kop het woord 'krakersprand' gebruikt. Daarom heeft de rechter hun uitzetting goedgekeurd. De pers hoeft het brandgevaar niet te beschrijven, veel belangrijker is het risico van uitzetting. ,,We betalen huur!'' schreeuwt hij. ,,Meer dan vijfhonderd euro per maand! Ze krijgen ons hier niet weg.''

    • Pieter Kottman