Op naar de markt-staat

De zomerzegels van Albert Heijn heb ik niet geplakt. Iets weerhoudt me. Misschien ben ik te gemakzuchtig of te koopkrachtig, maar ik vind het akelig gedoe. Bovendien haat ik die weerzinwekkende filiaalchef uit de televisiereclame die argeloze mensen kwijlend achtervolgt: `Blijven plakken hoor'. Hoepel toch op man!

Nu besef ik terdege dat het weigeren van zulke (uiteraard door de klanten zelf betaalde) voordeeltjes luxegedrag is. Ik erken volmondig dat ik, mocht ik erop zijn aangewezen, wel degelijk gebruik zou maken van de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag, de zorgtoeslag waar het kabinet mee adverteert.

Principieel onderscheid tussen de opdringerige filiaalchef en minister-president Balkenende zie ik niet. Het kabinet komt met zomerzegels. Extraatje hier, voordeeltje daar, goedhartig uitgedeeld – een doorzichtige manier van klantenbinding (zelfs afgezien van de politiek wezenlijke kwestie van de verdeling van toezeggingen over de diverse inkomensgroepen). Het kabinet, in zijn hoedanigheid van marktpartij, benadert de burgers zoals Albert Heijn zijn klanten. Met dit verschil dat de reclameslogan `Blijven plakken hoor' in dit geval meer van toepassing is op de leverancier zelf. Hoe dan ook, wij moeten shoppen en calculeren. Op elk gebied. Dat heet eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid.

Burgers krijgen rugzakjes, strippenkaarten en voordeelcoupons om inkopen te doen bij onderwijsinstellingen, bij nutsbedrijven, in de gezondheidszorg. We moeten uitrekenen welk ziekenhuis het goedkoopst keelkanker behandelt, welke school het snelst een diploma verstrekt, welke reinigingsdienst het meeste vuil ophaalt, welke spoorwegmaatschappij, de NS of de NS, met de minste vertraging rijdt. Leger, politie en gevangeniswezen moeten nog geprivatiseerd worden. Maar wat in de Nederlandse Grondwet is vastgelegd als sociale grondrechten – de zorgtaken van de overheid – is al overgeheveld naar bedrijven die voornamelijk opvallen door televisiereclames en discussie over de salarissen en bonussen van directies.

H.J.A. Hofland heeft de term `staatsverlaters' gemunt voor mensen die elk geloof in de rechtsstaat hebben verloren of de overheid de rug hebben toegekeerd. Maar tegelijk – en misschien wel in samenhang met de observatie van Hofland – lijkt het erop dat de staatsverlaters ook bij de overheid zélf te vinden zijn. Want een overheid die primair voldoet aan de eisen van de markt, de burgers als haar klanten beschouwt, haar grondwettelijke zorgtaken inruilt voor de belofte de kansen te maximaliseren die burgers zelf moeten grijpen, en daartoe alles privatiseert wat los en vast zit – wat doet zo'n overheid anders dan de staat verlaten?

Volgens sommige Amerikaanse ideologen – met name de topadviseur van het Witte Huis Philip Bobbitt – zijn wij wereldwijd getuige van een transformatie van de aloude natiestaat in de moderne markt-staat. Deze in een geglobaliseerde omgeving opererende markt-staat is volgens Bobbitt een `nieuwe constitutionele orde' met de volgende kernmerken. 1. Hij optimaliseert de kansen (opportunity) van de bevolking. 2. Daartoe worden staatsactiviteiten geprivatiseerd. 3. De gekozen regering voldoet aan de eisen van de markt. Onduidelijk is hoe deze nieuwe staatsvorm zich verhoudt tot de democratische rechtsstaat. Uiteindelijk, zou je denken, moet de ontwikkeling van nieuwe constitutionele vormen voor de markt-staat leiden tot de verkoop van het bestuur zelf aan de hoogst biedende.

Zo'n vaart loopt het nog niet, maar het is niet voor niets dat de Tweede Kamer vandaag, op initiatief van de ChristenUnie, debatteeert over het gebrek aan respect van het kabinet voor de Grondwet. CU-fractieleider Rouvoet verwijt Balkende gebrek aan staatsrechtelijk normbesef. Bijna een maand voor prinsjesdag presenteerde de minister-president tijdens een persconferentie alvast een selectie uit de plannen die de regering op de derde dinsdag van september in de troonrede en miljardennota aan het parlement zal voorleggen. Tweede-Kamervoorzitter Weisglas ontstak hierover in toorn omdat zowel het staatshoofd als het parlement hiermee werden geschoffeerd. Het staatshoofd, omdat zij straks alleen maar een opgewarmd kliekje mag opdienen. Het parlement, omdat het niet kan reageren op beleid dat slechts in de vorm van selectieve mondelinge mededelingen uiteen wordt gezet.

De Haagse opwinding over de premature ejaculatie van Balkenende stijgt uit boven een toevallig incident. De nieuwe constitutionele vormen die bij de `markt-staat' passen komen immers niet geordend tot stand, maar door flagrante schendingen van het staatsrechtelijk gewoonterecht. Het niet in acht nemen van de staatsrechtelijke normen en tradities is in dit licht bezien geen kwestie van protocol, maar een ideologisch statement van dit kabinet. Eerst komt de markt. Eerst de reclame. Eerst de klantenbinding. Eerst de spindoctoring en de `regie'. Dan pas het staatshoofd, dan pas het parlement.

Dit is niet zozeer reden voor heilige verontwaardiging, als wel een interessant symptoom van de opkomst van de markt-staat. Voor deze staatsvorm is al enige tijd de verschrikkelijk term `BV Nederland' in zwang en de verkoopstunt van Balkenende met zijn zomerzegels duidt op de neiging om de staat ook daadwerkelijk als een Besloten Vennootschap te besturen.

Een voorbeeld hiervan is ook de kwestie-Veerman, het verwijt aan de minister van Landbouw dat hij de schijn heeft laten ontstaan van vermenging van zijn eigen belang als agrarisch ondernemer met zijn ultieme verzet tegen beperking van de Europese landbouwsubsidies die hem 190.000 euro per jaar opleveren. Balkenende acht dit geen probleem: ,,Een minister die een huis bezit krijgt ook hypotheekrenteaftrek'', was zijn verweer. Daarmee ging de hij voorbij aan de vraag of Veerman in het kabinet optreedt als vertegenwoordiger van zijn persoonlijke belang of in ieder geval van een deelbelang. Te weten het belang van rijke Europese boeren.

Het is treurig dat de premier dit onderscheid tussen algemene en deelbelangen niet onderkent. Iedere minister moet altijd handelen vanuit de al dan niet fictieve aanname het algemeen belang te dienen. Dat is nu precies het verschil met de bestuurder van een BV.

Maar zoals de profeet van de markt-staat Philip Bobbitt schrijft in zijn boek The Shield of Achilles: ,,Werd de natiestaat gekenmerkt door de heerschappij van het recht, dan staat de markt-staat in hoge mate onverschillig ten opzichte van rechtsnormen, of überhaupt ten opzichte van enig bijzonder stelsel van morele waarden, als het recht maar geen obstakel vormt voor economische concurrentie.''

    • Elsbeth Etty