Hij is geen held, maar wel een `echte man'

Onze correspondenten gaan deze zomer op de nostalgische toer. In Ivoorkust roept iemand als meneer Dipi gevoelens van nostalgie op. Een van de laatste blanken die de koloniale tijd bewust heeft meegemaakt.

Iedere ochtend om vijf voor zeven tingelt de koperen bel voor de koele houten woning van meneer Dipi. Het is het teken waarop de bedienden zich verzamelen, zodat ze exact om zeven uur acte de présence kunnen geven. Pierre Dupuy komt naar buiten, snuift de tropische ochtendnevel op en vinkt de namen af van de mannen die bij hem in dienst traden toen zijn haar nog niet spierwit was zoals nu, maar donkerbruin.

Het ritueel met de bedienden herhaalt zich elke middag om half drie, na de lunch en voordat de baas jeu de boules gaat spelen. Altijd op hetzelfde moment, altijd punctueel. Dupuy is een gewoontemens, zelfs na vijf decennia Afrika – of is het juist Afrika dat van hem een gewoontemens heeft gemaakt? Hoe dan ook, zo gaat het al twintig jaar, en zo zou het nog twintig jaar gaan als de 75-jarige jager, kampioen sportvisser en vermaard krokodillenkweker, geen water in zijn longen had en definitief zou stoppen met kettingroken. Het kan ieder moment afgelopen zijn, zegt François, een vriend die geen jeu de boules meer met hem speelt omdat de partijtjes per se stipt om vijf uur moeten beginnen. Als hij overlijdt, gaat een instituut verloren.

Meneer Dipi, een verbastering van Dupuy, behoort tot de uitstervende generatie blanken die de koloniale tijd in Afrika bewust heeft meegemaakt. Hij is het soort man dat bij anderen hevig nostalgische gevoelens oproept. Vooral bij andere mannen, blanke mannen, die net als hij op goed geluk in West-Afrika terecht kwamen en het op de een of andere manier nooit meer hebben kunnen opbrengen om te vertrekken. Voor hen is Dipi geen held, daar is hij als mens te feilbaar voor, te krenterig. Wel een rolmodel, een Echte Man, iemand die op eigen kracht iets van zijn leven heeft gemaakt. Hij heeft goed gedronken, goed gerookt en goed geneukt, vat François het samen. Een grafschrift in negen woorden.

De weemoedige zucht die deze ietwat oudere mannen vervolgens slaken, heeft alles te maken met het vervliegen van de tijd waarin de Echte Man de ontdekkingsreiziger kon uithangen. De tijd waarin hij nog met blote handen de bush kon temmen. Bij wijze van spreken dan. Nostalgie naar de koloniale tijd is het nauwelijks, althans niet naar het racistische en bureaucratische koloniale regime. Het is een terugverlangen naar het Afrika van hun dromen, een continent van de onbegrensde mogelijkheden, een onontgonnen wildernis die jongens uit de armere milieus niet alleen ontsnapping bood uit de grauwe burgerlijkheid van naoorlogs Europa, maar waar ze ook – met een beetje geluk, lef en doorzettingsvermogen – fortuin konden maken.

En dat heeft Dipi gedaan. De gesjeesde bakkersleerling reed met een kleppenloze Panhard uit de jaren dertig dwars door de Sahara. Kwam in 1952 in Ivoorkust aan. Hij kon meteen bij het koloniale regime aan de slag. Lopend van dorp tot dorp moest hij een inventarisatie van inheemse ziekten maken. In 1955 schoot Dipi zijn eerste krokodil dood. Er zouden er nog vele duizenden volgen, zegt de goedlachse Dipi op de veranda van zijn eigenhandig gebouwde woning in het vredige vissersdorp Assinie. ,,De kolonialen van toen verklaarden me voor gek. Ik ging graag de dorpen in. Ik vond het leuk om met Afrikanen om te gaan. De blanke ambtenaren zaten de hele dag achter hun bureau en weigerden de stad uit te gaan. Ik moest alles improviseren. Er was geen water, geen electriciteit, niets.''

In de jaren zestig, na de onafhankelijkheid van Frankrijk, trad Dipi in dienst bij Air Afrique. Hij moest op zoek naar jacht- en sportvisgebieden die de westerse toerist naar Afrika konden lokken. Intussen werd hij meermalen wereldkampioen sportvissen. Dipi wuift richting een monsterlijk grote vissenkop pal boven de voordeur. De wijdopengesperde kaken van het beest getuigen dat hier geen mietje woont. ,,Dat was een tarpon van 99 kilo. Heb ik een wereldrecord mee gebroken.'' Op de veranda pronken de geweien van exotisch wild die Dipi tijdens zijn jagerscarrière bijeen heeft geschoten. Het interieur doet sterk denken aan foto's uit de koloniale tijd, waarop kolonels in tropenhelm stijfjes poseren voor een wand vol jachttrofeeën.

Nee, Dipi laat zich niet verleiden tot gemijmer over de goede oude tijd. ,,Wie denkt niet af en toe terug aan zijn jeugd? Maar ik laat geen traan om mijn jonge jaren. Ik heb ze ten volle benut.'' Liever geeft hij een rondleiding door de garage waar zijn hengels staan. ,,Mijn motto is altijd geweest: ik houd van wat ik doe, en ik doe waarvan ik houd.'' Werken hoeft hij niet meer dankzij de verkoop van zijn krokodillenboerderij. Hij zette die attractie op toen hij met pensioen ging, verdiende een kapitaal aan dagjesmensen en toeristen, en verkocht de boerderij net voordat een staatsgreep de economische neergang van Ivoorkust inluidde. Met een bulderende lach: ,,Ik brand nog iedere dag een kaars om de maagd Maria te bedanken.''

Even later, klokslag vijf uur, klinkt het beschaafde geklak van jeu de boules. Een vogel tsjirpt. Een prauw glijdt over de lagune. In Dipi's wereld, zo lijkt het, heeft de tijd stilgestaan.

Eerdere delen zijn na te lezen op www.nrc.nl/nostalgie

    • Pauline Bax