`Geen politieconcern maar één korps'

Moeten de 25 politiekorpsen worden samengevoegd tot één korps of tot een `concern'? Criminoloog Fijnaut vindt de keuze voor een concern verkeerd.

Er klonk afgelopen juni een zucht van opluchting door de gelederen van de Nederlandse politie, toen de commissie-Leemhuis haar eindadvies over de toekomst van het politiebestel publiceerde. Al maandenlang zong het rond dat de verantwoordelijke ministers Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) en Donner (Justitie, CDA) van plan zouden zijn om de politie weer centraal aan te gaan sturen.

Maar de commissie adviseerde geen landelijk politiebestel. De 25 regiokorpsen moesten wel beter samenwerken. Met de invoering van een landelijk aangestuurd bestuur moet de politie een soepel geolied bedrijf worden.

Vooral het beheer over de politie moest verbeterd. De regiokorpsen moeten een overkoepelend ,,concernbestuur'' krijgen zodat de minister van Binnenlandse Zaken zijn verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering makkelijker kan waarmaken. Korpschefs, burgemeesters en de top van het openbaar ministerie toonden zich tevreden over het rapport `Lokaal verankerd, nationaal versterkt'.

Maar de criminoloog en hoogleraar Rechtsvergelijking aan de Universiteit van Tilburg, Cyrille Fijnaut, heeft daar na bestudering van het advies een hele andere mening over, zo blijkt uit een publicatie in het Nederlands Juristenblad.

Is de politie in zo'n nieuw bestel in staat om een viervoudige bomaanslag op station Utrecht Centraal te voorkomen? En is de Nederlandse politie dan, net als de London Metropolitan Police na de bomaanslagen in Londen, in staat om hoogwaardig opsporings- en inlichtingenwerk van de grond te krijgen? Die vraag beantwoordt Fijnaut ontkennend. Bij een grootschalige calamiteit ontbeert het aan één hiërarchische autoriteit die in staat is om de politie met gezag te dirigeren, óók als de voorstellen van de commissie-Leemhuis zouden worden overgenomen. ,,Het enige serieuze alternatief voor het `concernmodel' van de commissie-Leemhuis is volgens Fijnaut het model van een nationaal politiekorps.

Fijnaut bekritiseert de afwijzing van de commissie van een dergelijk nationaal bestel, omdat daarmee de `effectieve sturing van regionale en lokale prioriteiten' in het gedrang zou komen. Hij verwijst naar de politiekorpsen in de Scandinavische landen, de Duitse deelstaten, Luxemburg en Oostenrijk, die wel volgens een landelijke model zijn opgezet. De vermeende lokale verankering van de Nederlandse politie wordt volgens Fijnaut door de commissie overdreven.

De commissie heeft zich in haar evaluatie van het politiebestel ook ,,eigenmachtig beperkt'' tot de regiokorpsen. De Koninklijke marechaussee (KMAR), de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de bijzondere opsporingsdiensten als de FIOD/ECD zijn buiten beschouwing gelaten. Terwijl de KMAR met 4.500 formatieplaatsen, volgens Fijnaut, inmiddels is uitgegroeid tot het grootste rijkspolitiekorps van Nederland. De bijzondere opsporingsdiensten vormen inmiddels een cruciale rol in de bestrijding van de georganiseerde misdaad.

De fundamentele vraag is volgens Fijnaut dan ook of het functioneren van de politie niet ,,enorm gebaat'' zou zijn bij samenvoeging van het Korps Landelijke Politiediensten, de KMAR en de bijzondere opsporingsdiensten. ,,Het is een essentieel tekort in het werk van de commissie dat de KMAR en de BOD's niet zijn meegenomen in de evaluatie.''

De commissie heeft zich volgens Fijnaut vooral bezig gehouden met het functioneren van de politie in staatkundig opzicht. Hoe de politie feitelijk en in de praktijk werkt, is zo goed als buiten beschouwing gebleven. Een evaluatie van de manier waarop de politie de georganiseerde misdaad of het islamitisch terrorisme aanpakt, komt in de evaluatie niet of nauwelijks aan de orde. Vervang de namen van de Nederlandse diensten door Polizia di Stato, Carabinieri en Guardia di Finanza, aldus Fijnaut, dan kan bij wijze van spreke gezegd worden dat de verdeeldheid in de bovenbouw van het politieapparaat Italiaanse proporties heeft aangenomen.

De twee politieministers staan voor de keuze van een nationaal `politieconcern' en een nationaal politiekorps. Maar in de besluitvorming mogen beide ministers zich volgens de criminoloog niet laten leiden door het rapport van de commissie-Leemhuis. Fijnaut: ,,Daarvoor vertoont het onderliggende onderzoek van de commissie te grote beperkingen. (..) De betrokken ministers zullen eigenstandig moeten kiezen voor een democratisch en rechtstatelijk afgezekerd politiebestel dat eendrachtig en daadkrachtig genoeg is om de operationele uitdagingen van de 21-ste eeuw aan te kunnen.''