Visionair en flamboyant auteur

De schrijver Louis Ferron, die gisteren in zijn woonplaats Haarlem op 63-jarige leeftijd overleed, laat een magisch, intens en fascinerend oeuvre na van romans, verhalenbundels, toneelstukken en poëzie. Deze week verscheen zijn nieuwste roman, Niemandsbruid. Ferron stierf na een kort ziekbed aan kanker.

Louis Ferron werd op 4 februari 1942 in Leiden geboren. In 2001 werd zijn oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs. Van alle Nederlandse auteurs was hij de minst Hollandse. Hij zocht zijn inspiratiebronnen in de Duitse cultuurgeschiedenis van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.

Ferron heeft zijn vader, een officier in het Duitse leger, nooit gekend. Over hem schreef hij in de autobiografische roman De Walsenkoning (1993) op cynische wijze: ,,Mijn vader overleed in de oorlog. Hij keerde met verlof van het Oostfront terug naar zijn geboortestreek Westfalen en kreeg daar een omvallende gevel op zijn kop.'' Tot zijn zesde jaar werd Ferron opgevoed door de ouders van zijn pleegmoeder in Bremen; hij heette toen Karl Heinz Beckering. In 1949 ging hij bij zijn echte moeder in Haarlem wonen. In dat jaar kreeg hij zijn huidige naam.

Ferron leidde een zwervend bestaan, voelde zich aangetrokken tot het kunstenaarschap en debuteerde in 1962 met de gedichtencyclus `Kleine krijgskunde' in het literaire blad Maatstaf. Sinds 1974 wijdde hij zich met volle inzet aan het schrijverschap. Zijn oeuvre omvat meer dan vijftig titels, alsmede enkele vertalingen.

Op grote hoogte in de Nederlandse letteren staat zijn omvangrijke Duitse ofwel Teutoonse trilogie Gekkenschemer (1974), Het stierenoffer (1975) en De keisnijder van Fichtenwald (1978). Tegen de achtergrond van de Duitse geschiedenis, variërend van de bizarre romantiek van Ludwig II van Beieren tot de Weimarrepubliek en ten slotte de opkomst van het fascisme, schetst Ferron enkele wonderlijke, naïeve figuren.

De hoofdpersonen zijn nooit helden, altijd verschoppelingen, eenzamen, dwaze randfiguren of kunstenaars tegen wil en dank. Ferron was eerder een visionair schrijver dan een analyticus.

Hij citeert uit de Duitse canon van Friedrich Hölderlin, Jean Paul, E. Th. Hoffmann en Thomas Bernhard. Ferron is een van de eerste auteurs die nadrukkelijk een postmoderne literatuuropvatting nastreeft: hij verwijst naar voorgangers, imiteert hen, schept personages als ene Wahler uit Gekkenschemer die trekken heeft van zowel Mahler als Wagner.

Ferrons erbarmen met de verschoppeling voert hij in De keisnijder van Fichtenwald tot een grotesk hoogtepunt. De bultenaar Friedolien streeft in het concentratiekamp naar hogere sferen en gelukzaliger stemmingen, maar ondertussen voltrekken zich rondom hem de meest gruwelijke gebeurtenissen. In de Teutoonse trilogie zitten tal van verwijzingen naar het Wehrmacht-verleden van Ferrons Duitse vader. Of zijn personages nu Friedolien of Kaspar Hauser heten, ze zijn altijd zoekenden - en dit zoeken richt zich altijd op een meerdere, een beschermheer of vaderfiguur.

Elk boek van Ferron heeft een herkenbare toon. Hij zweeft heen en weer tussen grimmigheid en het welbewuste cliché, tussen barokke rijkdom en een sinister besef van humor. Hij werd bekroond met onder meer de Multatuli-prijs voor De keisnijder van Fichtenwald, de AKO-literatuurprijs voor Karelische nachten en De Bordewijk-prijs voor De Walsenkoning.

Ferron bleef niet steken in het theater van de Duitse rekwisieten. Zijn woonplaats Haarlem inspireerde hem tot een aantal betrekkelijk autobiografische romans, waarvan Hoor mijn lied, Violetta (1982) en De Walsenkoning (1993) een nieuwe richting geven aan het zogenaamde oer-Hollandse realisme. In een persoonlijk gesprek liet Ferron zich eens ontvallen dat hij geobsedeerd is door het bouwen van `decors' in zijn romans. Theater fascineert hem omdat hij houdt van `schijnwerkelijkheid, van het spel tussen fictie en waarheid, van het spiegelpaleis van illusie, schmiere en desillusie'. In De Walsenkoning voert hij dit spel met een even vrolijke als koppige volharding. Zijn hoofdpersoon heet Ferron, armzalig pennenlikker voor de streekredactie van de Kennemer Bode.

Met zijn nieuwe roman Niemandsbruid kiest Ferron voor een vrouwelijke hoofdpersoon, Adele Schopenhauer, de zus van de grote filosoof. Opnieuw drukt hij in dit boek zijn fascinatie uit voor de Duitse cultuur, en ook zet hij de lijn voort van Werken van barmhartigheid (2003) waarin hij religie op een piëtistische wijze uitdrukt. Niemandsbruid betekent een verrassende wending in het uiterst persoonlijke oeuvre van een schrijver die elk genre naar zijn hand wist te zetten.

Met de onverwachte dood van Louis Ferron verliest de Nederlandse literatuur een van haar markantste auteurs. En de stad Haarlem zal nooit meer dezelfde zijn zonder deze flamboyante schrijver met zijn grijze, wuivende haren en de monterheid waarmee hij zijn dagelijkse wandelingen maakte, zoals hij beschrijft in Een aap in de wolken (1995): ,,Van daar naar gunder, en als je dan uiteindelijk in de stad van je dromen belandt we zullen haar Haarlem noemen kan het feest pas goed beginnen. Strompelend als een ware Walsenkoning had ik me weer eens een weg naar Noord gezocht, het onheilig oord waar het allemaal begonnen was.''

    • Kester Freriks