Rompslomp 1

Martje Fentener van Vlissingen gaat tekeer tegen de, in haar ogen, heilloze en tijdrovende procedures die onderzoekers door moeten lopen voordat ze dieren genetisch mogen manipuleren (W&O 13 aug). Fentener van Vlissingen werkt zelf met genetisch gemanipuleerde (transgene) dieren. Daarnaast, en dat maakt haar betoog bedenkelijk, is zij lid van de Commissie Biotechnologie bij dieren (CBD).

Biotechnologie bij dieren is al lang onderwerp van verhitte maatschappelijke debatten. Het begon bij de geboorte van de genetisch gemanipuleerde stier Herman, nu 15 jaar geleden. De Tweede Kamer heeft er daarom voor gekozen om vergunningen pas af te geven nadat er een inspraakprocedure heeft plaatsgevonden. Met de oprichting van de CBD probeerde de overheid het maatschappelijk debat rond dit gevoelige thema te kanaliseren. De CBD kreeg als taak om individuele onderzoeksaanvragen te beoordelen en daarnaast het maatschappelijke debat over genetische manipulatie te stimuleren. In hoorzittingen kunnen bezorgde burgers en dierenwelzijnsorganisaties antwoorden krijgen op hun vragen over het voorgenomen onderzoek. Wanneer er dan toch kritiek blijft, kunnen bedenkingen tegen het onderzoek worden ingediend. Zo nodig spreekt de rechter zich uit over de zaak.

Bestuurskundig is dit een goede constructie, maar Fentener van Vlissingen omschrijft het als een nachtmerrie. Uit het stuk blijkt dat zij het als onderzoeker vervelend vindt dat pottenkijkers over haar schouder meekijken naar wat zij met haar proefdieren wil doen. Zo hekelt zij de eis dat de aanvraag voor het onderzoek in het Nederlands moet zijn gesteld. Maar omdat het om Nederlandse besluiten gaat, is die eis helemaal niet zo overbodig als Fentener van Vlissingen stelt. Natuurlijk, hoe minder burgers kennis kunnen nemen wat er zich afspeelt binnen de muren van haar onderzoekslaboratorium, hoe minder weerstand er tegen het onderzoek is. Het is een cynisch, maar niet onbegrijpelijk standpunt (vanuit de onderzoeker geredeneerd). Maar Fentener van Vlissingen spreekt hier niet als onderzoeker, maar als lid van de commissie die oordeelt over biotechnologisch onderzoek en die de maatschappelijke dialoog op gang moet houden. Dat zij zich als lid van de CBD zo fel uitlaat over tegenstanders van genetische manipulatie en dierproeven is onvergeeflijk. Zij geeft ermee aan dat zij feitelijk geen scheiding kan maken tussen haar werk als onderzoeker en als commissielid. Zij bewijst de CBD met haar uitlatingen een slechte dienst.

Uit de kritiek van Fentener van Vlissingen spreekt een diepe minachting voor de tegenstanders van biotechnologie bij dieren. Bovendien geeft zij aan zich slechts met tegenzin te willen conformeren aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Als onderzoeker mag zij dit allemaal vinden. Maar als lid van de commissie die adviseert over biotechnologisch onderzoek mag Fentener van Vlissingen niet de bijl leggen aan het systeem waarvoor zij medeverantwoordelijkheid draagt. Blijkens haar kritiek kan zij zich niet verenigen met de uitgangspunten van het Nederlandse biotechnologiebeleid. Daarmee heeft zij zich gediskwalificeerd als lid van de CBD.

    • Frank Wassenberg