Romancier, pamflettist - wie is de `ware' Rushdie?

Zoals je tegenwoordig alle kanten opkunt met de `zuivere', `ware' islam – de ware islam is vrede, de ware islam kent geen terrorisme, de ware islam vraagt om gewapende strijd tegen de Westerse zionisten en kruisvaarders – zo staan er de laatste tijd allerlei fanatici klaar om de `ware' Salman Rushdie te claimen. De publicatie van zijn laatste roman Shalimar de clown in Nederland zorgde de afgelopen weken voor een merkwaardig spektakel. Allereerst een nieuwsbericht en recensie in de Volkskrant van Michaël Zeeman, die wist te melden dat de nieuwe roman een felle aanval op het moslimfundamentalisme bevatte. Het `feit' van de roman en de kritiek daarin op het fundamentalisme werd ook elders als nieuws gebracht, waarop Anil Ramdas in deze krant weer opmerkte: `Beste jongens en meisjes, lezers en recensenten, als dat Rushdies bedoeling was, had hij wel een pamfletje geschreven en geen meesterlijke roman van 428 pagina's.'– om de rest van zijn column vervolgens te vullen met anekdotes uit zijn bestaan als Rushdie-groupie van het eerste uur.

Pamfletten schrijven, inderdaad. Dat doet Rushdie dan ook. De man schrijft zoveel pamfletten dat het een wonder mag heten dat hij ooit aan een nieuwe roman is toegekomen. Maar aan die pamfletten en opiniestukken werd aanvankelijk voorbijgegaan totdat de Volkskrant een vertaling publiceerde van zijn laatste artikel, `The Right Time for An Islamic Reformation' (het juiste moment voor een hervorming van de Islam), dat daarvoor in The Times en in de Washington Post was verschenen. Daarin pleitte hij voor een hervorming van de Islam door bij uitleg van de Koran de historische context te laten meewegen. Prompt was het weer niet goed. `Wat is dat toch met romanschrijvers die uitblinken in overtuigende fictie, maar die, wanneer ze het kleed van romancier hebben laten vallen, zo tekortschieten in hun analyses van de alledaagse werkelijkheid? [...] hoedt u intussen voor romanschrijvers op de opiniestoel, al is hun fictie op het eerste oog nog zo overtuigend', donderde een arabist vanaf de preekstoel op de opiniepagina van de Volkskrant.

Ondertussen mocht Rushdie zelf in een interview met NRC Handelsblad weer uitleggen dat hij als romanschrijver geen `partij koos' in zijn laatste boek, en ook niet `uithaalde' naar het moslimfundamentalisme, maar zich wel het recht voorbehoudt om dat als schrijver van opiniestukken te blijven doen. Een zinvol onderscheid, zeker voor een auteur die zich als geen ander verzet tegen het letterlijk interpreteren van literaire en religieuze teksten, en zich als geen ander heeft ingezet voor het recht op vrije meningsuiting, een recht dat hij ook Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh onvoorwaardelijk toekent in het interview.

Toch wringt er iets aan dit onderscheid tussen Rushdie de romanschrijver en Rushdie de pamfletschrijver. Dat ligt niet zozeer aan Rushdie zelf, maar aan het al te strikte onderscheid dat `fans' zoals de hierboven geciteerde arabist maken. `I am as opposed to Salman's ideas as I am fond of his penmanship' (ik ben het net zo oneens met Salmans ideeën als ik dol ben op zijn schrijftalent), schreef een lezer naar de Times, en hij was niet de enige die een dergelijk sentiment verwoordde. Nu hebben lezers wel vaker de behoefte om een briljant werk van de huns inziens abjecte persoonlijke meningen van de schepper ervan te scheiden. Denk aan Céline en zijn antisemitisme, denk aan het fascisme van Pound. Maar kun je de ideeën en het `penmanship' van Rushdie wel zo strikt scheiden? En waarom zou je?

Rushdies pamfletten lijken mij eerder een voortzetting van zijn romans met andere middelen, waarin hij de vrijheid bevecht om die romans überhaupt te kunnen schrijven. Zijn ideeën in beide genres zijn niet radicaal anders; zijn techniek is dat wel. Een veelvoud aan perspectieven, meerduidigheid, ironie, humor, inzicht in beweegredenen en oorzaken, verpakt in een smakelijke vertelling die wil betoveren, versus een eenduidige mening, redelijk verwoord en puntsgewijs onderbouwd in een leerzaam betoog dat bedoeld is om te overtuigen? Ja, dat verschil snappen we wel. Neem Max Ophuls, een personage uit Shalimar de clown, die na een cynische uiteenzetting over machtspolitiek – een onderwerp waarover hij zich danig blijkt te vergissen – tegen zijn dochter India zegt: ,,Vrijheid is geen theekransje, India. Vrijheid is oorlog.'' En neem Rushdies eigen uitspraak, in een opiniestuk eerder dit jaar: `Democracy is not a tea party where people sit around making polite conversation. In democracies people get extremely upset with each other. They argue vehemently against each other's positions. (But they don't shoot.)' – `Democratie is geen theekransje waar mensen zitten te lanterfanten en beleefde gesprekjes voeren. In democratieën ergeren mensen zich ontzettend aan elkaar. Ze bestrijden elkaars standpunten hartstochtelijk. (Maar ze schieten niet.)'

Rushdie schreef dit stuk, Defend the right to be offended (`verdedig het recht om beledigd te zijn'), als onderdeel van een actie van de literaire mensenrechtenorganisatie PEN tegen het Britse verbod op `aanzetten tot haat op religieuze gronden', oftewel, voor het recht om grappen te kunnen blijven maken over religie. In dit ene pamfletje komen de termen `vrijheid van meningsuiting' en `Verlichting' bij wijze van spreken vaker voor dan in de verzamelde werken van Van Gogh, Cliteur, Hirsi Ali en Wilders bij elkaar. Rushdie de pamflettenschrijver, de man die zonder schroom de woorden `letterknechterige Islamfascisten' in de mond neemt, is kortom een politiek incorrect embarrasment geworden voor sommige lezers. Het lijkt wel haast alsof de pamflettenschrijver niet past in een bepaald concept van de `ware' Rushdie – dat van de briljante auteur die de hoogst mogelijke accolade ten deel viel: vervolgd om zijn kunst, martelaar van het vrije woord, lijdend voor de literatuur. Een ironische speling van het lot voor de schrijver die als geen ander de rommelige, onzuivere werkelijkheid weet te vangen en met de beste wil van de wereld nog niet in staat zou zijn een zwart-wit personage te scheppen.