Een fantastisch pseudoloog

Welke boeken zijn aanraders voor beginnende en geoefende lezers? Welke leeslijstklassiekers hebben de `literaire X-factor'? Een tweewekelijks rondje langs de eeuwige jachtvelden van de wereldfictie brengt Pieter Steinz bij De kleine blonde dood van Boudewijn Büch

Zeg niet dat hij niet gewaarschuwd had. Tussen de vele motto's die voorafgaan aan De kleine blonde dood, het nogal droevige verhaal over een gestorven kind, zette Boudewijn Büch ook een vers van Willem de Mérode: `Ik ben geen vader, en ik héb geen zoon / Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.'

Niets dan een sage was ook het bestaan van Büch zelf, zo bleek al snel nadat hij in december 2002 op 53-jarige leeftijd was overleden. Vanaf het begin van zijn carrière bouwde hij aan een persoonlijke mythologie, waarin een belangrijke rol was weggelegd voor de trauma's van een schrikwekkend verleden: het ongelukkige huwelijk van zijn joods-Duits-Italiaanse ouders, zijn verblijf in een jeugdpsychiatrische inrichting, zijn pedoseksuele aanleg, de zelfmoord van zijn geliefde vader, en vooral de dood van zijn eigen zoontje. In interviews en televisieoptredens onderstreepte hij de overeenkomsten tussen de schrijver en zijn literaire alter ego's, of ze nu Boudewijn Büch of Winkler Brockhaus heetten, en presenteerde hij zich als een getroubleerde romanticus, een jonge Werther die leed aan het leven.

Een typisch geval van pseudologia fantastica, ziekelijke fabuleerlust, oordeelden de biografen na zijn dood. De schrijver heette geen Büch maar Buch, zijn ouders waren joods noch immigrant; hij had nooit in een Brabants gekkenhuis gezeten (waarover hij schreef in Het dolhuis) en ook niet in een maoistische studentencommune (zoals hij suggereerde in het hilarische Links! uit 1986); hij was gewoon biseksueel en hij had nooit een zoontje gehad. Het model voor Micky in De kleine blonde dood was de – nog steeds springlevende – zoon van een goede vriendin, en de verhalen over Kindertod en crematie baseerde hij op de ervaringen van zijn tweede uitgever. Toch was alleen de schaal waarop Büch fantaseerde een verrassing. Tegen journalisten die hem confronteerden met inconsequenties in zijn verhalen had hij altijd gezegd: ,,Natuurlijk fabuleer ik in mijn boeken, dat kun je een auteur toch niet verwijten?''

Gelijk had hij. Een schrijver is vrij – en zijn lezers hebben niets te maken met het leed dat hij zijn naasten aandoet door ook in het dagelijks leven te liegen en bedriegen. Het is het literaire resultaat dat telt, en in het geval van De kleine blonde dood mag dat er zijn. Niet elke zin is van goud – Büch was een notoir slordig stilist – maar het beeld dat de ik-figuur oproept van de moeizame verhouding met zijn getraumatiseerde vader en de liefde voor zijn jong gestorven zoontje is op zijn minst ontroerend. De herinnering aan een door vader gesaboteerd schoolreisje; een uitstapje met Micky naar Artis; een niet zo vrolijke Kerstmis in de jaren vijftig; de bezoekjes die Vati bracht aan Boudewijn in het gekkenhuis; Micky's dood door een tumor en zijn crematie (met muziek van de Stones) – het wordt door Büch allemaal op een krachtig-sentimentele manier beschreven. En hoewel de roman een springerige indruk maakt, weet Büch beide vader- en zoonverhoudingen mooi met elkaar te vervlechten.

`Ik besta uit fragmenten', antwoordt de ikfiguur in Büchs laatste roman Het geheim van Eberwein (2003) op de vraag van een van zijn geliefden hoe hij in elkaar zit. En eigenlijk geldt dat ook voor het oeuvre van Boudewijn Büch. In de jaren tachtig had dat een praktische reden, aangezien hij zijn romans voorpubliceerde als feuilleton in (studenten)weekbladen, maar ook daarna bleven Büchs romans bestaan uit een groot aantal met elkaar verbonden herinneringen. Juist die fragmentarische vorm maakt de loodzware inhoud van de romans lichter verteerbaar. Een nieuwe Goethe is Büch nooit geworden. Maar in de Nederlandse literatuur zal hij niet gauw vergeten raken.

Reacties: steinz@nrc.nl.

De voorgaande schema's zijn na te lezen op www.nrc.nl/scholieren

    • Pieter Steinz