De strijd tegen de terreur wordt beslist in de buitenwijken van de Europese steden

Europese moslims moeten hun weg zoeken tussen twee polen. Een moderne, democratische samenleving, en een strikte islam die Europa beschouwt als een gebied van ongelovigen waarvan je je kan isoleren of waarin je met geweld moet proberen een islamitische staat te vestigen. Over die twee opties worden felle debatten gevoerd binnen de islam. De uitkomst van dat debat, waarop Europese moslims grote invloed kunnen hebben, is bepalend voor de toekomst van het westen.

Het succes van de martelarenoperaties

In december 2001 circuleert op internet een manifest in het Arabisch. Daarin geeft een van de belangrijkste aanstichters van 11 september de politieke rechtvaardiging van de aanslag. De tekst draagt de titel `Ridders onder de vlag van de Profeet' en is ondertekend door de Egyptische arts Ajman al-Zawahiri, ideoloog van Al-Qaeda en leidsman van Bin Laden. Dankzij die tekst kunnen we begrijpen waarom de radicale aanhangers van de jihad de Verenigde Staten – de verre vijand – hebben getroffen en wat ze verwachten van de ramp die ze hebben ontketend.

Dokter Zawahiri stelt om te beginnen een sombere diagnose van de jaren negentig van de twintigste eeuw. Van Egypte tot Bosnië, van Saoedi-Arabië tot Algerije zijn de activisten van de jihad er niet in geslaagd de moslimmassa in beweging te brengen om de heersende regimes – de nabije vijand – omver te werpen. Om die neergang te keren moet men een radicaal andere strategie kiezen en de Verenigde Staten een zware slag toebrengen. Door de stoutmoedigheid en de omvang moet de aanslag de besluiteloze bevolkingsgroepen in de moslimwereld prikkelen en ze overtuigen van de onweerstaanbare macht van de jihad en van de zwakheid van het trotse Amerika, dat de `afvallige' leiders in het Midden-Oosten en Noord-Afrika beschermt.

Maar die terroristische provocatie in het Westen mag naar de mening van Bin Laden en Zawahiri de activisten niet afleiden van hun eerste doelstelling: oorlog voeren in het hart van de islam. De strijders van de jihad willen in de eerste plaats de suprematie in hun eigen moslimwereld veroveren, zich verzekeren van de greep op de geest van hun geloofsgenoten, en dan overal `de islamitische staat' vestigen door de gewapende strijd.

Het echec van de jaren negentig is, merkt Zawahiri op, toe te schrijven aan het ontbreken van een grote zaak die gedragen wordt door de islamistische `voorhoede', waarmee de bevolkingsgroepen van de moslimwereld zich in meerderheid zouden hebben kunnen identificeren.

Omstreeks de eeuwwisseling levert Palestina hun opeens die zaak. De mislukking van de Oslose vredesakkoorden, de ontketening van de tweede intifada in het najaar van 2000 en de massale onderdrukking daarvan door de regering-Sharon, maken de gewapende strijd legitiem voor de gemiddelde televisiekijker van Al-Jazeera. In de zomer van 2001 zijn de door de Palestijnse islamisten georganiseerde zelfmoordaanslagen, door de predikers in de hele moslimwereld als `martelarenoperaties' aangeduid, de concretisering van het verzet tegen de verpletterende militaire superioriteit van de joodse staat.

Het giftige klimaat vormt de buitenkans waarop de opdrachtgevers van 11 september hebben gewacht. De slachting in New York en Washington is bedoeld als een tot het uiterste doorgedreven voortzetting van de Palestijnse zelfmoordaanslagen. Die zijn populair, en Bin Laden geeft in zijn tv-verklaring op 7 oktober vanuit een Afghaanse grot aan dat hij die populariteit naar zich toe probeert te trekken. Hij zweert ,,bij Allah die de hemelen zonder zuilen heeft opgericht [...] dat Amerika nooit rustig zal slapen'' zolang de ontberingen van de Palestijnen en van de Iraakse kinderen voortduren.

De aanslag van 11 maart 2004 in Madrid is een welbewuste vermenging van de thema's van het wereldwijde terrorisme en de onderwerpen die samenhangen met de aanwezigheid op Europese bodem van islamistische militanten, voortgekomen uit de bevolkingsgroep van Marokkaanse afkomst – waaruit de meeste beklaagden en ook de meeste door de Spaanse politie gedode activisten stammen. Velen van hen hebben het profiel van immigranten die een heel gewoon leven leiden, en sommigen zijn zelfs vrij goed in de samenleving geïntegreerd: zonder dat ze in Afghanistan hebben gereisd of gewoond, verruilen ze de status van kruidenier, reparateur van draagbare telefoons en zelfs makelaar in onroerend goed voor die van activist die een terroristische jihad ontketent – wegwijs gemaakt door een paar doorgewinterde militanten die onopvallend in de Spaanse samenleving zijn opgegaan. `Madrid' is een openingsschot in de slag om Europa.

Jongeren tussen democratie en Jihad

In West-Europa leven meer dan tien miljoen uit moslimlanden afkomstige personen. Hun kinderen zijn voor het merendeel op het oude continent geboren, ze hebben er onderwijs genoten, zijn opgevoed met de talen van Europa, hebben zich de maatschappelijke zeden en gewoonten van de Europese volksklassen eigengemaakt.

In de meest optimistische visie zijn verreweg de meesten van die jongeren dragers van moderniteit en kunnen ze een voorbeeld zijn voor de moslimlanden waaruit ze afkomstig zijn. In die landen worden nu vooruitgang en ontwikkeling belemmerd door een zeer strikte interpretatie van de religie, die afwisselend een laatste ideologisch bolwerk is voor in diskrediet geraakte autoritaire regimes en een uitweg biedt voor maatschappelijke woede. Bovendien is in die landen het morele en economische echec van hun politiek-maatschappelijke model, een halve eeuw nadat ze onafhankelijk zijn geworden, voor iedereen zichtbaar.

In deze configuratie zijn de jonge moslims van Europa nu en in de toekomst de internationale dragers van een succesvol democratisch project, waarvan zij de verpersoonlijking zijn. Vooral in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland telt de eerste generatie van immigrantenkinderen langzamerhand tal van afgestudeerden van universiteiten en hogescholen. Zij zijn een van de vormende elementen van Europa, in staat om bruggen en overgangen te bouwen naar de gebieden waaruit hun families afkomstig zijn. Noord-Afrika, het Midden-Oosten, Pakistan, het zijn gebieden die mede door hen uit het moeras kunnen worden getrokken.

Aan het andere uiteinde van het spectrum vinden we jongeren die tegen een dergelijk perspectief zijn en aansturen op een breuk met de Europese omgeving. Daarbij baseren zij zich op een rigide interpretatie van de islam. Ze vrezen dat culturele inlijving hun identiteit aantast. Sommigen zullen aan die vrijwillige afscheiding vormgeven door tot geweld over te gaan, de maatschappelijke wrok vertalen in godsdienstige haat. Anderen, groter in aantal, zullen ermee volstaan zich in hun denken af te scheiden en te komen tot een in zichzelf gekeerd leven in gesloten gemeenschappen, of er zelfs naar streven te emigreren uit het land van de kouffar, van de ongelovigen, naar de dar el islam, het gebied van de gelovigen.

Het salafisme, twee richtingen

Deze twee attitudes maken deel uit van één en dezelfde stroming die zich bevindt op de uiterste pool, die van de verwerping van de Europese beschaving. Dat is het vooral uit Saoedi-Arabië afkomstige salafisme.

De aanhangers van de eerste salafistische houding, onvoorwaardelijke voorstanders van een totale jihad, vervloeken de `goddeloze' regimes van het Westen, maar ook de `afvallige' familie die in Riad heerst. Ze hebbeb de buitenwijken van Lyon, Parijs, Roubaix en Birmingham enige tijd verlaten om zich te harden in de kampen in Pakistan, Bosnië of zelfs in Tsjetsjenië of Georgië. Nu wachten ze het gunstige ogenblik af om de islamisering van Europa, waartoe de proclamaties van Bin Laden en de redeneringen van Zawahiri hen aanzetten, te versnellen. Intussen vertonen ze videobanden en dvd's van de gewapende jihad thuis bij jonge sympathisanten jongens vervuld van bewondering voor die veteranen van de jihad, als baardloze knapen vertrokken uit de wijk en teruggekeerd als bebaarde oud-strijders, met roem beladen en verzekerd van een uitgelezen plaats in het paradijs. En ze overwinnen de problemen van werkloosheid, onzekerheid over hun identiteit, en zelfs drugsverslaving, door tegen de ongelovigen ten strijde te trekken aan een van de frontlijnen tussen de dar al kouffar en de dar al islam.

De tweede richting van de salafistische beweging is expliciet geweldloos en piëtistisch. De ijveraars voor de jihad tooien haar met de minachtende bijnaam `sjeikistisch', omdat haar aanhangers zich strikt houden aan de vermaningen van Saoedische sjeiks, die niet van vijandigheid tegenover Saoedi-Arabië blijk geven.

De telefoonnummers van deze sjeiks staan op salafistische websites die strikt apolitiek willen zijn. Men hoeft de nummers maar te draaien om terstond een juridisch advies te vragen of een fatwa die het gedrag van de vrome moslim in elke hoek van de aarde bepaalt.

Die salafisten zijn tegen alle geweld gekant, en bestrijden de eerste richting onvermoeid aan de hand van koranverzen, uitspraken van de Profeet en excommunicaties. Maar ze propageren een islam die in cultureel opzicht volledig breekt met de `goddeloze' Europese omgeving. Wanneer een `sjeikistische' salafistische imam de controle over een gebedsruimte in een wooncomplex van een buitenwijk krijgt, gebeurt het niet zelden dat er in aansluiting daarop problemen over sluiers en schoolkantines ontstaan in de middelbare scholen in de buurt – het gevolg van de toepassing van de zeer strikte vermaningen van de nieuwe prediker, versterkt door de sociale druk die de jonge, door de imam geprikkelde ijveraars op de meisjes van de wijk uitoefenen. We hebben hier op Europese bodem te maken met een identieke kopie van de conflicten in Arabië zelf. Daar staan `sjeikistische' salafisten, die volkomen in harmonie zijn met de machthebbers, tegenover islamistische militanten met uitgesproken politieke ambities.

Anders dan de salafisten, die een soort vrijwillige apartheid van de gelovigen of opsluiting in een soort mentaal getto propageren om te vermijden dat ze worden `geperverteerd' door de `ongelovige' Europese omgeving, hebben de verenigingen voortgekomen uit de ideologische sfeer van de Moslimbroederschap, ervoor gekozen zich een plaats in de openbare ruimte te verwerven.

Sinds het jaar waarin, met de val van de Berlijnse Muur, het communistische alternatief voor de vrijzinnige Europese samenleving wegvalt en een grote ruimte braak komt te liggen voor de socialisatie van de volksklassen die zich met het marxisme en de surrogaten daarvan hadden geïdentificeerd, beschouwen de Moslimbroederschap en hun opvolgers Europa niet langer als een `land van goddeloosheid' (of van `ongeloof'), maar als `islamland'. Dat sluit aan op het juridische feit dat de meeste kinderen die op het oude continent zijn geboren en wier ouders immigranten uit de islamitische landen zijn, het Europese burgerschap konden verwerven. Ze storten zich in het gat dat door instorting van het communisme is geslagen en werpen zich op als voorvechters van de socialisatie van arme mensen die in vaak slechte omstandigheden een plaats op de arbeidsmarkt moeten zien te veroveren.

Vijftien jaar later, in een tijd waarin de last van het terrorisme op Europa drukt, is de wereld van de islamistische organisaties en verenigingen op het oude continent verdeeld. Een reeks groepen en fracties strijdt om de hegemonie. Ze nuanceren allemaal de verhouding tussen islamitische identiteit en Europese omgeving. Ook kijken ze verschillend aan tegen de aan Al-Qaeda toegeschreven machinaties; de reacties lopen uiteen van marginale maar reële fascinatie, via de ontkenning dat Al-Qaeda werkelijk bestaat, tot totale afwijzing – waarbij fascinatie en verwerping vaak door elkaar heen lopen.

Europa: oorlogsland of begunstigde natie

De twee takken van het salafisme (aan de ene kant de jihadistische, aan de andere kant de piëtistische) blijven (volgens hun specifieke vertaling van dar al kouffar) Europa hardnekkig kwalificeren als `land van ongeloof'. Maar dit begrip valt in de traditionele islamitische optiek uiteen in twee deelverzamelingen: dar al harb (`oorlogsland'), waar de jihad geoorloofd is – dat is de visie van de jihadisten – en dar al solh (`bestandsland'), waar de moslims niet overgaan tot geweld tegen de ongelovigen en andere goddelozen – dat is de opvatting van de `sjeikisten'. Het aan Bin Laden toegeschreven communiqué van 15 april 2004 stelt voor om Europa – dat Al-Qaeda door de aanslagen op Europese bodem, vooral die van 11 maart 2004, tot dar al harb had gerekend – een verdrag te gunnen dat het de mogelijkheid biedt te profiteren van een soort `clausule van de meest begunstigde ongelovige natie', de dar al solh. Voorwaarde daarbij was dat de Europese staten het met het radicale islamisme op een akkoordje gooien en hun dictaat gehoorzamen, in het voorliggende geval door hun troepen uit Irak terug te trekken.

Weliswaar bepleiten alle salafisten de geestelijke en morele verwerping van de omringende Europese samenleving, maar de twee stromingen bestrijden elkaar genadeloos, vooral via internet.

De piëtisten of `sjeikisten' houden de jongeren die ze binnen hun sfeer hebben getrokken verre van de `van het rechte pad afgeweken' Moslimbroeders, maar ze zetten zich ook in om hen af te keren van een onbeheersbare jihad. Met hele reeksen preken en websites spreken ze een banvloek uit over de `verdoolde sekten' van de Moslimbroederschap en de jihadisten.

Het verbale geweld van de polemiek wijst er in feite op dat de twee takken van het salafisme, de quiëtistische en de gewelddadige, poreus zijn, dat wil zeggen dat men gemakkelijk van de ene op de andere kan overgaan. De schaapjes zijn onderhevig aan intensieve indoctrinatie die hun vermogen om zelfstandig te denken tenietdoet en worden een vrij gemakkelijke prooi voor een ervaren jihadistische prediker. Als we nagaan welke weg de in Europa geboren en later in de gevangenis terechtgekomen jongeren hebben gevolgd voordat ze in de jihad belandden, zien we vaak dat ze in een eerste fase door een piëtistische salafistische imam zijn gehersenspoeld en daarna in handen vielen van een ronselaar die voorstelt het verlangen van de

Vervolg op pagina 12

De verovering van de buitenwijken

Vervolg van pagina 11

nieuwe volgeling naar het absolute te bevredigen met een activisme dat meer kracht geeft dan het gezemel van de huichelaars. Maar dat ze tot de jihad overgaan gebeurt niet systematisch en is ook niet onvermijdelijk – en uit de intensiteit van de polemiek van de jihadisten tegen de piëtistische salafisten blijkt de tomeloze wil van de salafisten de enige herders van hun kudden te blijven.

De salafisten zijn afkerig van deelname aan het verenigingsleven en van betrokkenheid bij instituties in het `land van ongeloof'. Ze streven naar een territoriale afbakening van de zones waar de door hen gecontroleerde terugkeer naar de islam wordt bewerkstelligd. In dat opzicht zijn ze vergelijkbaar met bepaalde sektariërs van het extreem orthodoxe jodendom, de hassidim, die we kunnen tegenkomen in de wijk Mea Shearim in Jeruzalem (en zelfs in Brooklyn), en hun denken is er in de eerste plaats op gericht de identiteit te behouden door zich op te sluiten in een gettogebied dat herkenbaar is aan zichtbare merktekens. De salafisten zijn er vooral op bedacht dat de moslima's alleen uit huis komen als ze een zwarte niqaab dragen die het gezicht bedekt, terwijl de mannen – met baard, zonder snor, een kalotje op het hoofd - een kleding dragen waaraan ze, door het silhouet waaraan die doet denken, in de volkswijken de bijnaam `cloche', `stolp' (maar ook `sukkel'), te danken hebben: een wijd windjack of een gesloten jek over een witte djellaba die tot halverwege de kuit valt. Treffende voorbeelden daarvan kunnen we waarnemen in de bolwerken van het Franse salafisme, de wijken met sociale woningbouw van Argenteuil, of de buitenwijken ten noorden van Parijs, waar het je vaak moeite kost te bedenken dat je je in Frankrijk bevindt, zo nadrukkelijk is voor het blote oog de morele orde van een islamitisch rigorisme dat je in het algemeen niet in die mate aantreft in de moslimsamenlevingen in het zuiden en het oosten van het Middellandse-Zeegebied. Daar, in Argentueil, trekken de salafisten van elke stroming zich terug binnen hun verschansingen, ze ontvluchten de samenleving waarin volgens hen een ongeloof heerst waarvoor ze zich immuun moeten maken.

Gewoonlijk houdt het salafisme de nieuwsgierige buitenwereld op afstand en stelt het de strikte islamitische norm boven de wet van de mensen, zonder deze openlijk en luidruchtig te tarten.

De salafisten zijn in Frankrijk – waar ze meer vaste voet hebben gekregen dan in de rest van Europa – aangekomen in de tijd van de opkomst van het Front Islamique du Salut (FIS) in Algerije (1989) en van de daaropvolgende burgeroorlog. Een deel van de bevolkingsgroep van Algerijnse afkomst in Frankrijk, geschat op ongeveer twee miljoen mensen, identificeerde zich met de islamistische partij van het thuisland. De Moslimbroeders, in Algerije slecht ingevoerd, lieten zich niet met de FIS in. In Frankrijk, waar het salafisme van de FIS onmogelijk tot politieke actie kon overgaan, kreeg die stroming, die gedreven door Algerijnse krachten tot het land doordrong, een voornamelijk religieus gezicht. Daarbij werd er tegelijkertijd naar gestreefd in het dagelijks leven te breken met de zeden en de gebruiken van de Franse `ongelovigheid'. Tegen de salafisten in probeert het door de ideologie van de Moslimbroederschap geïnspireerde kartel van groeperingen, ondanks verschillen in de benaderingswijze, met de instituties en met het geconstitueerde geheel van verenigingen samen te werken. Zo bepleiten ze allemaal de geleidelijke vergroting van de ruimte van de islam in de Europese civitas door volledig aan het politieke, sociale en culturele leven, enzovoort deel te nemen.

Bebaarde maatschappelijk werkers

Een van de manieren om te proberen meer ruimte voor de islam te krijgen, is de vorming, vooral in de kansarme buurten, van charitatieve netwerken waarin bebaarde `maatschappelijk werkers' (soms met overheidsgeld betaald) mensen die hun bakens kwijt zijn, weer op het `rechte pad' brengen. In het Midden-Oosten en in Noord-Afrika was dit een manier voor islamistische bewegingen en partijen om onder de arme stadsjeugd rekruten te werven. Zo'n campagne, zonder trompetgeschal maar met succes gevoerd, krijgt sinds de eeuwwisseling een verlengstuk op de campussen van de grote Franse universiteiten in de randsteden, die na weinig of geen selectie alle gediplomeerden van middelbare scholen aannemen. Daar is de Étudiants Musulmans de France (EMF) opgekomen. Deze organisatie helpt studenten die voor het merendeel afkomstig zijn uit eenvoudige Maghrebijnse families, de culturele codes slecht beheersen en daardoor moeite hebben te bepalen welke vakkenpakketten goed zijn om op de arbeidsmarkt vooruit te komen.

De EMF manifesteert zich dus als een vakvereniging die zich met een urgente maatschappelijke vraag bezighoudt, en tegelijkertijd als een instantie voor sociale integratie die kansarme studenten met een moslimachtergrond, die in het algemeen onverschillig staan tegenover de politisering van de godsdienst, verandert in militanten met een politiek-religieus bewustzijn dat hen tot `Jonge Moslims' maakt. Met deze strategie is enig succes geboekt toen in 2003 voor de eerste keer EMF-afgevaardigden werden gekozen in de raden van de sociale diensten voor studenten in een sfeer van massale stemonthouding van de studenten die zich niet meer herkennen in de traditionele door links en extreem-links gedomineerde studentenvakverenigingen. Ook dat doet denken aan de jaren zeventig en tachtig aan de Egyptische en Algerijnse universiteiten, waar de met de Moslimbroederschap verwante studentenverenigingen de campussen waren binnengedrongen dankzij intensieve charitatieve activiteiten, van de verlening van beurzen en subsidies waarmee vooral de studentes werden beloond die besloten een sluier te dragen tot een hele reeks sociale voorzieningen.

Aan deze activiteiten wordt niet buitensporig veel publiciteit gegeven. Andere actievelden worden via de media naar voren gehaald wanneer de mogelijkheid ontstaat allianties te verbreden door het `slachtofferschap' van de moslims: de affaires met de sluier op scholen en de openbare demonstraties naar aanleiding daarvan worden ingegeven door een streven naar maximale zichtbaarheid. Bij de islamitische organisaties sluiten zich dan diverse verdedigers van de rechten van de mens aan, en anti-racistische groeperingen, ecologen, priesters, docenten, uiteenlopende andersglobalisten, trotskisten en soms ook fascistoïde splintergroeperingen; ze zijn allemaal uit op hun politiek gewin bij dat krankzinnige huwelijk tussen laïcité en islamisme. Elke groep of organisatie meet de risico's af aan de verwachte voordelen van de allianties met vertegenwoordigers van de staat, van partijen en van politieke, religieuze en niet-islamitische sociale bewegingen, van extreem-links tot extreem-rechts.

Fellow-travellers toen en nu

Deze strategie en de dilemma's die ze veroorzaakt, doen denken aan de positionering van de communisten in West-Europa in de twintigste eeuw en aan de interne debatten die daar het gevolg van waren. De communistische partijen laveerden, afhankelijk van de situatie, tussen twee opties. Enerzijds intensieve deelname aan het institutionele en politieke leven, anderzijds een lijn van `klasse tegen klasse' waarin de versterking van de Partij in oppositie tegen de gehele politieke omgeving en de ideologische breuk met de `bourgeoisie' voorop staan. De bourgeoisie heeft voor de communisten dezelfde functie om de eigen identiteit tegenover de anderen te beklemtonen als de `ongelovigen' voor de islamisten. Als de Europese communistische partijen een machtspositie bekleedden, lijfden ze, door de gevoelens te bespelen en zichzelf af te schilderen als de onbetwistbare kampioenen in de strijd tegen het lijden van het volk, een menigte `fellow-travellers' en `oprechte democraten' in – die in de beslotenheid van de vergaderingen van de cellen minder barmhartig als de `nuttige stomkoppen' werden aangeduid. Als ze in een zwakke positie verkeerden, moesten de communisten wel ideologische compromissen sluiten met de niet-communistische democraten, die hen dwongen geleidelijk afstand te nemen van de dictatuur van het proletariaat en de democratie te aanvaarden – een weg die, zoals we weten, uiteindelijk leidde tot het verval en de ondergang van het West-Europese communisme.

Ook de islamistische beweging heeft nuttige `fellow-travellers' om zich heen weten te verzamelen – soms dezelfde personen die de communistische partij vroeger voor haar karretje wist te spannen en die hun aandacht naar de bebaarde militanten hebben verplaatst. Des te gemakkelijker doordat bepaalde islamisten zich nu opwerpen als voorvechters van de volksklassen, die, als we hen moeten geloven, tegenwoordig moslim zijn en dus bij uitstek het verlossende lijden dragen van een mensheid onder het vaandel van de oemma.

Net als bij de Europese communistische partijen de afgelopen eeuw kan de interactie met de `fellow-travellers' tegengestelde effecten hebben. De priesters, docenten, sociologen en andere vertegenwoordigers van het niet-religieuze verenigingsleven die deelnemen aan de congressen van door de Moslimbroederschap geïnspireerde Europese organisaties, voorzagen de Moslimbroederschap van het democratische label dat oorspronkelijk bedoeld was om de politieautoriteiten gerust te stellen en het wantrouwen van de journalisten weg te nemen. Door hun aanwezigheid zorgden ze voor een scheiding tussen de islamisten uit het gebied ten noorden en hun broeders op de kusten ten zuiden van de Middellandse Zee, wier favoriete leus de vestiging van de daula islamiyya (de islamische staat) op de ruïnes van het ongeloof is – een vooruitzicht dat voor de militanten dezelfde rol speelt als de komst van de `dictatuur van het proletariaat' bij de communisten van destijds.

In de Europese context werkt zo'n leus als een schrikbeeld en bemoeilijkt hij de dialoog met de christenen en de `nuttige' leken. Hoe de beweging, naar binnen en naar buiten toe, wordt gezien door de militanten, de sympathisanten en de toekomstige rekruten, en door de instituties en de publieke opinie in het Westen bepaalt de ontwikkeling van de beweging. In deze strijd, gevoerd vanuit de etnisch-religieuze basis van een minderheid die zich aanzienlijk zal uitbreiden – al was het maar om demografische redenen – is de rol van de medestanders in de maatschappij essentieel. Die medestanders bevinden zich op een kruispunt: `democratisering' van de islamistische ideologie in de Europese context en mogelijk later zelfs export van deze democratisering naar de moslimwereld, of juist radicalisering, door de verovering van bolwerken binnen de Europese samenlevingen waarin dan de meest onbuigzame stromingen, afkomstig van de overkant van de Middellandse Zee, zouden worden doorgegeven. Geïntegreerde jonge Europese moslims die volledig betrokken zijn bij de democratische samenleving, toegang hebben tot zijn vrijzinnige onderwijs en bijdragen tot zijn welvaart, kunnen over heel de wereld een voorbeeld worden voor hun geloofsgenoten. Maar dat veronderstelt dat Europese samenlevingen het integratieproces van bevolkingsgroepen die nog te vaak gehandicapt zijn door het feit dat ze behoren tot de kansarme lagen van de maatschappij, tot een goed einde brengen, en hun sociale stijging begeleiden.

De uitkomst van de `oorlog in het hart van de islam', een islam die tegenwoordig nauw met het Westen is vermengd, is bepalend voor de toekomst van het Westen zelf. Op de lange termijn speelt de strijd tegen het terrorisme zich daarom eerder af in de buitenwijken van de Europese steden dan in Washington, Gaza, Riad of Bagdad.

    • Gilles Kepel