De evenementenbranche bluft met al te indrukwekkende bezoekcijfers

De bezoekersaantallen van grote zomerevenementen zijn gigantisch – als je de organisatoren kan geloven. Maar dat kan je niet. Hoeveel mensen kunnen er eigenlijk echt op het Malieveld? En hoeveel rijen dik moet het publiek bij het Rotterdamse Zomercarnaval wel niet hebben gestaan ?

Nederland geniet deze zomer massaal van een overstelpend aanbod festivals, parades en openluchtspektakels. Bezoekersrecords worden aan de lopende band gebroken: meer dan 400.000 bezoekers wonen de negende editie van de FFWD Dance Parade bij, het Zomercarnaval gaat niet voor minder en noteert 700.000 bezoekers, minder dan vorig jaar maar gelukkig evenveel als de eerder deze zomer gehouden vliegshow boven de Maas. De Gay Parade in de Amsterdamse grachten, de Deventer Boekenmarkt, de Tilburgse kermis, de Nijmeegse Vierdaagse, de Uitmarkt en dit jaar als klapper Sail Amsterdam. Deze laatste schermt met meer dan twee en een half miljoen bezoekers. Een `incidentloos verloop' vereist inmiddels de aandacht van velen, inclusief de burgemeester.

De belangen van deze gratis toegankelijke, massaal bezochte evenementen, zijn inmiddels groot. Gerekend wordt met bezoekcijfers waar een Amsterdam Arena soms een heel seizoen voor nodig heeft. Het moge duidelijk zijn dat evenementen de afgelopen jaren een enorme vlucht hebben genomen. Hogere eisen aan beveiliging, horeca wetgeving, afspraken met overheden en overheidsdiensten, spoorwegen, politie, sponsors en subsidiënten hebben ertoe bijgedragen dat inmiddels sprake is van een serieuze bedrijfstak. Gespecialiseerde uitzendbureaus, toeleveranciers van geluid- en lichtapparatuur, speciaal ontwikkelde hekken en afzettingen, vuilcontainers, aggregaten, mobiele taps, mobiele toiletten, communicatiemiddelen zijn uit deze praktijk ontstaan.

De plaatselijke overheden hebben, aanvankelijk schoorvoetend, de kracht van de zomerfestivals onderkend. Immers, de kosten zijn laag en de exposure enorm. In de nieuwsluwe zomermaanden haalt vrijwel ieder evenement minstens de voorpagina of het NOS Journaal en het publiek komt met honderdduizenden. Het eerste klopt, het laatste is niet met zekerheid vast te stellen. Objectieve criteria ontbreken en organisatoren geven zelf de aantallen door aan de media. De enige vergelijking is meestal een vorige editie, waarbij het lijkt dat alle evenementen ieder jaar drukker worden. Hoe professioneel de branche inmiddels ook mag zijn, het vaststellen van de juiste bezoekcijfers gebeurt op basis van gevoel en aannames die op zijn minst discutabel zijn. Het traject van bijvoorbeeld de Dance Parade bedraagt nog geen vijf kilometer. Wanneer de bezoekcijfers kloppen betekent dat bijna 100.000 mensen op iedere kilometer. Een van de twee organisatoren van het in augustus gehouden Monaco aan de Maas verwachtte vooraf 300.000 bezoekers, na afloop werd een getal van 500.000 meegedeeld. Op een parcours van enkele kilometers lengte komt dat uit op 250.000 bezoekers per kilometer. Een politiewoordvoerder noemt deze cijfers eufemistisch `wel erg behoorlijk' (NRC Handelsblad, 6 augustus).

Niet alleen bij evenementen is het gissen naar de juiste getallen, ook organisatoren van demonstraties kunnen er wat van. Het Amsterdamse Museumplein en Haagse Malieveld waren in het verleden de plaatsen waar het zwart stond van de mensen. De afmetingen van beide locaties zijn constant, maar de ene keer worden 250.000 dan weer meer dan het dubbele aantal demonstranten opgegeven. De ene werkelijkheid is de andere niet. Een voorbeeld op basis van meetbare cijfers toont dat aan. Toen op 5 september 1998 de Rolling Stones een uitverkocht concert gaven op het Haagse Malieveld was het hele terrein tot de laatste meter bezet. Er werden 86.000 kaarten verkocht. Het zag er `zwart van de mensen', even druk als met de historische anti-kruisraketten demonstratie (29 oktober 1983) op hetzelfde Malieveld met, naar eigen opgave 550.000 demonstranten. Het `bezoekersrecord' voor het Museumplein in Amsterdam staat op 400.000 bezoekers (anti-kruisraketten demonstratie, 21 november 1981).Voor wie mee wil rekenen nog meer cijfers. Sail: een uur heeft 60 minuten, een minuut 60 seconden. In twaalf uur zitten dus 43.200 seconden. Om in die tijd alle 700.0000 bezoekers van die dag de populaire Amerigo Vespucci te laten zien moeten er dus per seconde 16 mensen bij het schip komen. Ook de wielersport kent sterke staaltjes: volgens Mart Smeets staan er op de Alpe d'Huez in de Tour de France 1.000.000 mensen. Volgens dezelfde Smeets is de beklimming 15 kilometer. Per strekkende meter kunnen ongeveer twee mensen naast elkaar staan. Als het van de eerste kilometer tot aan de finishlijn aan beide zijden één rij dik zou staan, zou dat dus (15.000 meter x twee kanten van de weg x twee personen per strekkende meter) betekenen dat er 60.000 mensen langs het parcours staan. Om tot het miljoen van Mart te komen, zou het volk dus van start tot finish 16,67 rijen dik moeten staan, aan beide kanten. We weten haast zeker dat Mart de eerste zal zijn om toe te geven dat dit niet zo is. Het Rotterdamse Zomercarnaval, waar getallen van 850.000 tot `bijna een miljoen' mensen op een parcours van 5 km zijn genoemd leert ons dat, weer aan beide zijden, de bezoekers 42.5 rij dik zouden staan. Laten we blij zijn dat het niet waar is.

Wie uit ervaring weet hoeveel verkeer in Nederland een vol stadion (circa 50.000 toeschouwers) teweegbrengt, hoeveel parkeervoorzieningen nodig zijn, extra treinen, etcetera kan uitrekenen wat dit betekent als deze cijfers met een factor tien of meer vermeerderd moeten worden. Dit uitrekenen gebeurt te weinig. Zo kon het enige jaren geleden gebeuren dat na afloop van de Koninginnedagviering het Amsterdamse Centraal Station plotseling veranderde in een chaos. Maatregelen hebben er naderhand toe geleid dat middels `evenementenpils' en lichtkranten boven de trottoirs, met daarop voetgangersfiles, de crowd controll tijdens de vrijmarkt in de Amsterdamse binnenstad in goede banen geleid wordt. Opvallend is dat de genoemde bezoekcijfers hier de laatste jaren substantieel lager, maar tegelijk realistischer klinken dan voorheen. (600.000 in 2004). Wie de logistieke consequenties van een mensenmassa groter dan 100.000 kent (wist u bijvoorbeeld hoeveel pallets WC papier daarvoor nodig zijn?), zal al snel tot de conclusie komen dat het hoog tijd wordt dat de organisatoren van gratis evenementen tot een betrouwbaar systeem van publiekstelling komen. Natuurlijk, iedereen lijkt gebaat bij de grote getallen van nu, maar bijvoorbeeld sponsors en subsidiegevers wordt nu een rad voor ogen gedraaid, en dat kan ten koste gaan van partijen die wel meetbare cijfers overleggen. Na afloop van deze zomer, wanneer in de meeste steden de festivals zijn uitgeraasd kan de branche de koppen bij elkaar steken om tot een objectief systeem te komen. Politie, hulpdiensten, horeca en ook de organisatoren zijn daar uiteindelijk allen bij gebaat. Wellicht is in het buitenland ervaring voorhanden. Zo niet, dan kan Nederland het voorbeeld geven. Vergelijking van de beschikbare harde cijfers op basis van inzet van hulpdiensten, horeca-omzetten, hotelovernachtingen, gegevens van NS en stad en streekvervoer bieden een goed begin.

Neuzen tellen kan altijd nog.

Pijbes is directeur van de Kunsthal Rotterdam. Ramakers is voormalig directeur MOJO Concerts.