Brief van een landverhuizer naar Hongarije

Het is 20 augustus, St. István's dag, dé feestdag van de Hongaren. Zsazsanéni is door de kardinaal uitgenodigd voor de viering bij de basiliek en heeft mij meegevraagd. De Szent Jobb, de heilige Rechterhand van St. István vormt het spirituele hart van alle festiviteiten waarvoor meer dan een half miljoen mensen in Boedapest op de been is. De St. István viering is de Hongaarse variant op Koninginnedag, met dit verschil dat niet de koningin op toer gaat, maar de gemummificeerde koningshand.

Zsazsanéni staat voor haar appartement te wachten. Ze ziet er prachtig uit, in een kaki mantelpak en met een mooie hoed. ,,Ik wéét het'', zegt ze in de auto. ,,Ik ben de enige in heel Europa die vóór Bush is.'' Ze heeft heldere ogen en een vrolijkstemmende knorrigheid. Om duistere reden denkt zij dat ik een hekel aan haar heb – ik ben dol op haar. Ze is vorige maand negentig geworden en heeft op een boot in de Donau een feest voor 150 mensen gegeven met champagne, diner en gigantisch vuurwerk. Zsazsanéni receptieerde in een witte broek van Dior en liep iedereen rond te commanderen. Van over de hele wereld was men gekomen. Naast de flamboyante Zuid-Amerikaanse ambassadeurs – van wie één in Boedapest bekend staat om z'n dirty dancing – had Zsazsanéni, gespeend van conformisme, ook de bedrijfsleider en de meisjes van de kruidenierswinkel bij haar om de hoek uitgenodigd.

Zsazsanéni dankt de vip-behandeling van de kardinaal, behalve aan haar eigen niet te negeren charisma, ook aan haar overleden echtgenoot, officier in het Amerikaanse leger, die de hand aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in een Oostenrijkse mijnschacht vond en terug naar Hongarije bracht. De hand behoort aan István, stichter van Hongarije. Hij smeedde duizend jaar geleden uit zeven stammen een moderne, feodale staat naar westers model. Om de tribale krachten te breken bekeerde hij Hongarije tot de kerk van Rome. Vijftig jaar na zijn overlijden, op 20 augustus 1083, werd István door de paus heilig verklaard. Bij die gelegenheid werd zijn sarcofaag gelicht. Het gehele lichaam was vergaan behalve de rechterhand, die zich bovenin het graf bevond en waarschijnlijk door de warme droge lucht gemummificeerd was.

De omgeving van de basiliek is afgezet. Er is een overmacht aan politie. Op de stoepen staan groepjes oudere mannen rond vaandels, in portieken wachten rijen vrouwen in klederdracht, kleurig en overdadig als paradijsvogels. Zsazsanéni vist de uitnodiging uit haar tas. Vrolijk pratend kuiert ze langs de controleposten, overal laat ze even de naam van de kardinaal vallen.

Ze is een Hongaarse aristocrate, nog geboren in de tijd van de dubbelmonarchie, maar heeft het grootste deel van haar leven in de Verenigde Staten gewoond. Ze heeft een combinatie van Amerikaanse no-nonsense doortastenheid en Middeneuropese deftigheid die zowel charmant als effectief is. In haar is het beste van twee werelden verenigd. Bij nogal wat Hongaren valt de combinatie van het oude en het nieuwe minder gunstig uit: zij combineren het banale, Amerikaanse consumptieve met Oostblokse gemakzucht en lethargie.

Voor de kathedraal is een gebied met dranghekken en spierballen afgezet. Nekloze bodybuilders die in Hongarije alom dienst doen, vooral als statussymbool, houden de wacht. Zsazsanéni en ik moeten door een metaaldetectorpoort. Ik haal mijn zakken leeg. Ik heb het klapmes dat ik van mijn oudste zoon heb gekregen bij me en leg het in de plastic bak. Cadeaus van mijn zonen brengen geluk. Stenen die ze me schonken toen ze nog nauwelijks konden lopen bewaar ik in mijn bureau.

De hoofdaap wordt er bij geroepen. Als ik gedwongen word te kiezen tussen het mes van mijn zoon en de hand van István is het duidelijk wat ik zal kiezen. Zsazsanéni moppert want ze moet haar tas openen. Ik mag door, met mes en al. Even later zit ik twee stoelen achter oud-premier (en mogelijk toekomstig premier) Orbán en oud-president Mádl. Beiden worden met een ovationeel applaus door het bomvolle plein onthaald.

Enkele stoelen naast ons zit een oude gedistingeerde dame met een huid die van perkament lijkt. De huid zit zo strak dat de schedel er doorheen schemert. Uitgezonderd de Habsburgers en de leden van het corps diplomatique komen genodigden naar haar toe om hun respect te betuigen. Ook de oud-premier en de oud-president komen naar de dame en lijken bij haar ineens schooljongens. Zij is de weduwe Horthy, de schoondochter van regent Miklós Horthy, de admiraal op het witte paard. Een deel van deze familie had 65 jaar geleden de heimelijke ambitie de nieuwe koninklijke familie van Hongarije te worden. Dat had deze mevrouw als een handschoen gepast.

Zsazsanéni begroet haar en introduceert mij. Ik stap naar haar toe, buig me voorover en – het moment van de waarheid – schud, als een authentieke Hollandse hork, de oude mevrouw ferm de hand. Was ik een nette zoon uit de regio geweest dan was ik verder voorovergebogen om in het luchtledige boven haar hand een kus te drukken. Het is een van mijn dagelijkse dilemma's: hoe lang moet ik hier wonen voordat ik bevoegd ben tot die elegante handkus?

,,Ik ben vroeger veel met haar omgegaan'', fluistert Zsazsanéni en voegt er fijntjes aan toe: ,,Ze is veel jonger dan ik. God, wat ziet ze eruit.''

Dan rijzen de duizenden op het plein op. Rechts naast de kathedraal verschijnt de Szent Jobb. Het relikwie bevindt zich in een barokke gouden kist. De kist lijkt te zweven boven de mensenmassa, maar rust in werkelijkheid op de schouders van enkele dragers. Er valt een sacrale stilte over het plein. Zelfs de prelaat achter de microfoon onderbreekt zijn monotone gezwatel. Het goud van de kist schittert in de zon.

Zsazsanéni is mijn vrijkaartje naar een verdwenen wereld.

De gouden kist met de heilige Rechterhand komt langzaam naderbij gewaggeld. En ineens wordt alles donker.

    • Scholten Jaap