Alles wat zich aan een vrouw in lust kan oprichten

Claudine Taittinger, weduwe te Nice, haalt in brieven aan haar jonge neef, dj te Amsterdam, herinneringen op aan haar veelbewogen leven

Neef,

Hartelijk dank voor de chrysanthemen, die je mij in het Hôpital Pasteur deed toekomen. Deze bloem past, naar mijn weinige vrienden die nog niet in het knekelhuis vertoeven niet nalieten tijdens hun bezoek op te merken, eerder bij sterfgevallen. Doch wat telt is het gebaar. Het herstel van mijn heup is voorspoedig verlopen. Ik was toch al niet zo'n wandelaarster.

Voordat ik mijn heup brak, was ik met mijn récit aangeland in het jaar 1939, waarin je grootmoeder en ik, ontkleed poserend op de tafels van het restaurant van de Roemeense Schrijversbond, een heilzame impuls gaven aan de nationale poëzie. Waarom immers zouden alleen schilders recht kunnen doen gelden op een naaktmodel? Wij zagen het als onze plicht om na het poseren de qualiteit der gewrochte werken in een persoonlijk onderhoud met de auteurs nader op ons te laten inwerken – in de bosschages achter de schrijversclub en, wanneer ritme en kracht van het poëem tot nadere bestudering noodden, somtijds ook in de geriefelijke ledikanten van het hotel Athénée Place. Bij het bevorderen van de kunst kan men niet ruimhartig genoeg zijn. De Roemeense dichtkunst bloeide, en Laurentia en ik met haar.

Helaas bleef het huis van de Associati Scriitilor niet gespaard voor de zwarte en bruine pest die in deze jaren over Europa rolde. Onze baaierd van luchthartigheid werd in toenemende mate bezocht door vervaarlijk uitziende mannen in zwarte uniformen en rijbroek die – naar de dichters fluisterend verzekerden – in het geheel geen schrijvers waren maar leden van een beweging die de IJzeren Garde heette en haar inspiratie putte uit de Hansworst die toentertijd over Italië regeerde – zijn naam is mij even ontschoten.

Wanneer deze figuren zich aan een belendend tafeltje posteerden, vielen onze dichtervrienden – anders immer tot vrolijke kout genegen – stil. Ook kwamen steeds meer leden van ons groepje niet meer opdagen. Op onze vraag aan de anderen waar Dan of Ilie toch mocht zijn gebleven, volgde drukkend stilzwijgen, of een korte horizontale vingerbeweging ter hoogte van de adamsappel.

Nog altijd zaten onze vrienden druk te pennen, maar de schalkse conversaties van weleer verstomden. De mannen in het zwart keken vanaf hun tafeltje mee, en maakten geen aanstalten om de literatuur te dienen. De gedachte de Nieuwe Orde tot spektakel te strekken, kon mij niet bekoren. Wanneer ik evenwel 's middags aan de thee met mijn zuster opperde dat wij des avonds wellicht een keertje onze plicht in de Schrijversbond konden verzaken om een balletvoorstelling te bezoeken, stuitte ik op heftige oppositie van Laurentia.

Op den duur werd ik haar beweegreden gewaar. Onder de mannen in pofbroek was er één, groter dan de anderen en voorzien van een doordringende blik zoals men die vroeger wel aantrof bij de acteurs van de stomme cinéma, die de vormen van mijn zuster met een zodanig nadrukkelijke gretigheid in zich opnam, dat zij zich daaraan niet meer wist te onttrekken. Ofschoon ik wat voluptueuzer geschapen was dan Laurentia – een constante doch onuitgesproken bron van rivaliteit tussen ons beiden – keurde hij mij geen blik waardig. Laurentia daarentegen verslindde hij met de ogen – en niet zonder effect: alles wat zich aan een vrouwenlichaam in lust kan oprichten, deed dat.

Tot op een avond kolonel Dimitriescu – want hij was het, de man met de borende ogen – zich plots van zijn plaats verhief, op onze tafel afliep, Laurentia aan de pols ruw meetrok en langs de monumentale trap meevoerde naar boven. De dichters durfden geen kik te geven. De andere pofbroeken grijnsden. Het kwam mij voor alsof de verschijning van mijn zuster, terwijl zij zich door de kolonel liet meetrekken, veranderde: haar lieftalligheid transformeerde in meedogenloze, ontluisterende naaktheid. Voordat zij uit het zicht verdween, wierp Laurentia mij een blik toe, zo trots en onbarmhartig tegelijk, dat ik er kippenvel van kreeg en schielijk naar mijn afgelegde kledij greep.

Je schreef mij laatst, neef, dat die paar bommetjes in Londen je het gevoel hebben gegeven, dat je plotseling in een andere wereld leeft. Is dat niet wat overdreven? Aan de andere kant: zo een ervaring had ik op het moment, dat ik je grootmoeder zag meegevoerd – de indruk dat er in Europa een époque tot een einde was gekomen, die der Spielerei. En dat een nieuwe was begonnen: die der obsceniteit. Maar de avond was nog niet ten einde.

Je

    • Claudine Taittinger