Zomerliefde

Welke boeken gaat u lezen? Sommige kranten vragen dat vóór de vakantieperiode aan bekende Nederlanders. Die stellen uitgebreide lijstjes samen, maar je krijgt na de vakantie nooit te horen of het er ook van gekomen is. Als ze veel gelopen en gefietst hebben, kon het wel eens bar zijn tegengevallen, want na zo'n zware dag wenkt het mandje.

Mijn eigen ervaring is dat het altijd anders loopt dan je gewild had, net als in de rest van het leven. Ik wilde achterstallig onderhoud aan mijn eruditie plegen door eindelijk eens de beroemde Franse schrijver Michel Houellebecq te lezen. Maar op pagina 114 van zijn befaamdste werk Elementaire deeltjes liep ik volkomen vast. Wát een stroef en saai proza, hoe onwaarachtig ook.

,,Seksuele begeerte richt zich vrijwel uitsluitend op jonge lichamen, en de geleidelijke bezetting van het terrein van de verleiding door heel jonge meisjes was in feite niets anders dan een terugkeer naar de normale situatie, een terugkeer naar de reële begeerte analoog aan de bekende terugkeer naar het reële prijsniveau na een oververhitting van de beurs.''

Alsof je een bord met ongekookt sociologenjargon moet leegeten.

Wég dus met Houellebecq, maar wie nu? Kandidaten genoeg, maar op Ivan Klíma, de Tsjechische schrijver, had ik niet gerekend. Ik kende zijn naam, meer niet. Toevallig kwam ik in de ramsj een oude (uit 1987) roman van hem tegen: Zomerliefde. De omslag was mooi (Rustende vrouw van Rik Wouters) en de stijl sprak me op de eerste pagina meteen aan.

Twee dagen later had ik het uit. Een meesterwerk. Alles wat een goed boek je te bieden heeft: esthetisch plezier (nooit een Houellebecq-zin), ontroering, intensiteit.

Een getrouwde wetenschapper en brave vader valt voor een jongere, stuurloos levende, derderangsactrice. Zij heeft hem niets te bieden, behalve – uiteraard – haar lichaam, maar dat is hem genoeg. ,,Ze is een doodgewone meid die het met iedereen aanlegt, maar dat kan me niet schelen, want ik ben met haar gelukkig. Ik houd van haar zoals ze is. Misschien wel juist om die reden.''

De vrouw behandelt hem met grote onverschilligheid, maar dat maakt zijn verslaving aan haar eerder sterker dan zwakker. Hij (en wij) weten dat zijn amour fou tot een noodlottig einde zal leiden: ,,Ik zou moeten vluchten uit die wereld waar ze mij in trekt, want ik zal eraan te gronde gaan. Maar waarschijnlijk is het al te laat, ik ben daar niet meer toe in staat.''

Klíma laat ons met meesterhand zien hoe de jacht op genot in zelfkwelling omslaat en in totale ontluistering eindigt. Met de laatste zin van het boek is inderdaad alles gezegd: ,,Haastig liep hij het winkeltje uit, ook al kon hij eigenlijk nergens heen.''

Als ik Klíma over dit boek zou interviewen, zou ik hem niet vragen of het autobiografisch is, want dat gaat ons niets aan. Ik zou wel van hem willen weten of hij Nabokovs Lolita (uit 1955) had gelezen voor hij aan Zomerliefde begon. Zonder iets op Zomerliefde te willen afdingen: heel in de verte klinkt soms de echo van Humbert Humberts ,,monsterachtige verlangen naar die rampzalige nimfijn'' bij Klíma door.

    • Frits Abrahams