Zie de kloon

In zijn nieuwe roman schildert provocateur Michel Houellebecq een huivering- wekkend beeld van de ondergang van de wereld. De mensheid heeft zichzelf door middel van genetische manipulatie vervangen door klonen, maar nog altijd is het geluk ver te zoeken.

In de epiloog van Elementaire deeltjes (1998) laat Michel Houellebecq een van zijn personages een revolutie aankondigen, een omwenteling die `niet geestelijk zal zijn, maar genetisch'. De mensheid zal instemmen met zijn eigen verdwijning en via technische, wetenschappelijke middelen, zijn eigen opheffing in de praktijk brengen. Via genetische weg zal er dan een nieuw `eendrachtig mensdom ontstaan', voorzien van een nieuwe rede, een mensheid die voor zijn voortplanting niet meer afhankelijk zal zijn van seksualiteit. Bij die omwenteling zou `de gemeenschapszin en het gevoel voor het duurzame en het heilige' in ere worden hersteld. Voorwaar een paradijselijk beeld.

Dat bijna gelukzalige toekomstscenario heeft Houellebecq als uitgangspunt genomen voor zijn nieuwe, omvangrijke roman, La possibilité d'une île, die over een paar dagen, in een eerste oplage van 250.000 exemplaren, in Frankrijk verschijnt. De oude mens, die `deerniswekkende, vuige, individualistische en twistzieke soort, met zijn grenzeloze egoïsme, die toch zoveel edele ambities in zich meedroeg' is, grotendeels althans, verdwenen. De nieuwe mens is opgestaan. Maar dat hoopvol gestemde scenario heeft Houellebecq onderweg de nodige veranderingen laten ondergaan. Het paradijs is verder weg dan ooit.

Eén van de hoofdpersonen bijvoorbeeld – inderdaad, een kloon van het nieuwe mensenras – raakt, aan het einde van het boek, aan het zwerven en ziet Madrid: een ruïne omgeven door metershoog opgestuwd asfalt, gesmolten auto's en uit elkaar gespat glas. Vernielde, platte beeldbuizen, vermorzelde cd's en andere elektronische apparatuur liggen tussen het puin. De nucleaire straling is hoog. Hier heeft één van de heftigste bombardementen in het `intermenselijk conflict' plaatsgevonden. In de verte, lage, kale heuvels. Portugal, zoals zoveel regio's in het voormalige Europa, is verdwenen in een serie nucleaire explosies, die tsunami's en cyclonen tot gevolgd hadden.

Bij de `Eerste Vermindering' is de wereldbevolking van 14 miljard teruggebracht tot 700 miljoen mensen. De `Grote Drooglegging' heeft het aanzien van de wereld verder veranderd. Satellietfoto's laten alleen nog een platte vlakte zien, bedekt met een laag dikke, lichtgrijze as. Kosmische nevels verhinderen de satelliet in kaart te brengen wat er van het eiland Lanzarote is overgebleven, misschien is het nog een eiland, misschien is ook dat verdwenen. De hitte is enorm, de hemel van een intense kleur blauw. Tussen de ruïnes scharrelt een groep wilden, afstammelingen van de oude mens. Deze beschrijving, die betrekking heeft op een onduidelijke verre toekomst, maar zo ongeveer twintig eeuwen na de onze gedateerd zou kunnen worden, is maar één van de huiveringwekkende toekomstbeelden die Houellebecq op het netvlies van zijn lezer plant.

Net als Elementaire deeltjes kent ook dit boek een proloog en een epiloog, waarin naamloze klonen aan het woord zijn. Zoals die roman was `opgedragen aan de mens', is dit boek – op nogal dreigende toon: `Vrees mijn woord!' – opgedragen aan de `Toekomstigen', zij die mysterieus genoeg `niet de wezens zijn die wij kennen', maar die de enigen zullen zijn die `de geboorte van de geest' zullen aanschouwen. Wat die Toekomstigen dan voor wezens zijn, en wie de uitverkorenen zijn die dat zullen mogen meemaken, blijft in het duister gehuld. En wie verdient het eigenlijk onsterfelijk te worden? Na lezing van dit boek zullen maar weinig kandidaten zich vrijwillig melden.

Tussen de pro- en de epiloog verhaalt Houellebecq hoe de mens zich heeft ontwikkeld tot de kloon die hij in proloog en epiloog is geworden: een wezen dat in enclaves woont voorzien van een veiligheidskordon en van `kennis van reproductie'. Om te leven heeft de kloon alleen een `elektrische centrale' nodig en nog wat andere technische benodigdheden. De klonen leven volgens het handboek `Instructies voor een vredig leven', opgesteld door de `Opperzuster'. De toekomst zou immers vrouwelijk zijn, voorspelde de verteller van Elementaire deeltjes. Het handboek bevat een `cartografie' van alle mogelijke levenssituaties. Geld, seks en politiek komen in dit repertorium niet meer voor. Vreugde is afwezig, evenals ieder mysterie. Nooit hoeft een kloon een initiatief of een beslissing te nemen. Doel is om de nieuwe mens, die vergelijkbaar is met `een redelijk zoogdier van gemiddelde complexiteit' een `neutraliteit van de werkelijkheid' te laten bereiken, waarbij het menselijk gedrag `zo voorspelbaar wordt als het functioneren van een koelkast'. Dat is ook de reden waarom de klonen in het voor- en nawoord zo neutraal en helder over zichzelf vertellen.

Anders ligt dat voor de drie vertellers van het boek, Daniël1, Daniël24 en Daniël25. Om de gang van zaken door de eeuwen heen in kaart te brengen, laat de auteur beurtelings deze drie personages, uit één `genetisch geslacht', aan het woord. Daniël1 lijkt onze tijdgenoot, Daniël24 en Daniël25 zijn respectievelijk de 24ste en 25ste gekloonde afstammeling van Daniël1 en leven dus zo'n twintig eeuwen na Daniël1. Zij zijn néo-humains. Daniël1, cabaretier van beroep, is verreweg het meest aan het woord en doet zijn verhaal in de vorm van een récit de vie, een soort autobiografie. Iedere nieuwe mens moet voor hij sterft, en dus voor zijn `reïncarnatie', zijn levensverhaal opschrijven ter informatie van zijn opvolgers. Zo blijft er nog een zekere vorm van collectief geheugen en geschiedschrijving bestaan. Op de levensbeschrijving van Daniël1 wordt commentaar geleverd door Daniel24 en Daniel25, klonen zonder beroep.

Daniël1 is verwant aan de personages die we van Houellebecq kennen. Hij is de zoon van een Spaanse vader en Bretonse moeder (`waar die Arabische kop vandaan komt heb ik nooit begrepen') en met hen op vakantie in een all inclusive club. Daar maakt hij een sketch over de veldslag om de worstjes bij het ontbijt, waarbij zijn talent voor cabaret ontdekt wordt. Daniel1 wordt miljonair, ontvangt per maand honderden uitnodigingen voor festivals, geniet ervan zich als een botte schoft te gedragen en een keuze te kunnen maken uit de jonge vrouwelijke fans (`vrouwen hebben geen gevoel voor humor, daarom beschouwen ze het als een viriele eigenschap') die zich aanbieden. Hij trouwt, verlaat zijn vrouw als ze zwanger wordt en `bakt eieren met tomaat' op de dag dat zijn zoon zelfmoord pleegt (`nooit van gehouden, de mensheid is beter af zonder'). Dan ontmoet hij Isabelle, hoofdredacteur van het `seks, fun en het leven is lol'-bevorderende tijdschrift Lolita, met wie hij pagina's lang de liefde bedrijft. Als Isabelle niet zo intens van de lichamelijke liefde blijkt te houden als hij en zij bovendien onder haar tanende schoonheid gaat lijden (ouder worden is, net als in Elementaire deeltjes en Platform, een ramp), ontmoet Daniël1 het pornosterretje Esther. Met haar zet hij zijn eindeloze erotische acrobatiek voort – het seksuele leven van Catherine M. is er niets bij.

Nieuw is Houellebecqs aanval op de dictatuur van het kind. Liever een huisdier dan een kind. Fox, de vaste, eveneens gekloonde hond van de hele Daniël-generatie, is het enige wezen dat onvoorwaardelijke liefde ten deel valt. Kinderen zijn, heet het, de ergste vijanden van hun ouders. Ze eisen zorg en aandacht op en zetten hun ouders bij de vuilnisbak zodra ze op eigen benen kunnen staan. Tijdens hittegolven worden ze aan hun lot overgelaten en euthanasie doet de rest. In één van zijn shows roept Daniël1 op het laatste taboe – op pedofilie en incest – te doorbreken. Dat zou een oplossing zijn voor oude en dus niet meer aantrekkelijke mensen, want waarom zou genot en seks alleen een voorrecht voor de jeugd moeten zijn?

Toch is deze Daniël1 een interessant, dubbelzinnig personage. Zoals Houellebecq in Platform de lezer in het ongewisse liet over zijn werkelijke opinie over sekstoerisme, zo speelt hij in dit boek op een dubbelzinnige wijze met de elasticiteit van het moralisme. Enerzijds verpersoonlijkt Daniël1 door zijn egoïsme, zijn jacht op seksueel genot en zijn weigering in het persoonlijke leven enige verantwoordelijkheid te nemen, de verdorvenheid van de moderne samenleving. Aan de andere kant is hij wel degelijk een vertegenwoordiger van de `goede mens'. In zijn persoonlijk leven valt hij soms uit zijn rol, foetert hij zijn veel jongere vriendin uit, omdat zij, zoals haar hele generatie, geweld cool vindt en zorgeloos geniet van films waarin kinderen hun ouders mishandelen. `Een prehistorisch monster' voelt hij zich dan, met zijn bindingen, zijn gevoelens en zijn ouderwetse opvattingen. Zijn frustratie daarover wordt tot cynisme. Zijn sketches, hoe smakeloos, provocerend en soms walgelijk ook (satire op het joods-Arabische conflict, seksuele aberraties, vrouwvijandige grappen), zijn `gebouwd op de commerciële exploitatie van de slechte instincten, op die absurde aantrekkingskracht van het Westen voor het cynisme en voor het kwaad'. Dat beseft hij zelf maar al te goed en het lijkt erop dat Houellebecq hier ook naar een verklaring zoekt voor zijn eigen, fenomenale succes.

In Daniël1 `sluimert een moralist', schrijft Houellebecq en dat hij zijn personage verschillende malen met de Franse moralisten, La Rochefoucauld en Chamfort, en de apostel Paulus associeert is geen toeval. De humor van de cabaretier, zegt Daniël1 lucide, functioneert alleen `als deze al aangetaste waarden op de korrel neemt: religie, gevoelens, toewijding, eergevoel'. In een samenleving waar die verdwijnen, is ook de humor ten dode opgeschreven.

Dan komt Houellebecq bij de creatie van de nieuwe mens. Via een buurman in zijn Spaanse woonplaats, San José in Almeria, komt Daniël1 in aanraking met de Kerk van de Elohim. Een sekte die gelooft in de komst van buitenaardse wezens en in de tussentijd op Lanzarote, het Canarische eiland waar Houllebecq al eerder een novelle over schreef, een `ambassade' bouwt om deze wezens met de nodige egards te kunnen ontvangen. Als VIP maakt Daniël1 al snel kennis met de Profeet, die, geobsedeerd door zijn lichamelijke veroudering, de `niet-bezitterige liefde' predikt. De man dient minder macho te zijn, de vrouw moet haar vrouwelijkheid uitleven. De Profeet heeft exclusief seksuele rechten op zijn twaalf verloofden en gebruikt de legaten van zijn adepten om zijn laboratorium te bekostigen waar aan het gen van onsterfelijkheid wordt gewerkt. De kloon is nog maar een kwestie van decennia. Ieder lid van de sekte staat, voorafgaand aan zijn zelfmoord, zijn bezittingen af en rekent erop via zijn opgeslagen DNA gekloond een nieuw, gelukkiger leven tegemoet te gaan. Moord, jaloezie en doodslag tegen een decor van een grot en duizend witte iglo-tenten – een scenario voor James Bond is er niets bij – zorgt voor wisseling van de wacht aan de top. In het geheim neemt de zoon van de Profeet diens plaats in, er wordt een media-event van de eerste orde gecreërd om de `opstanding' van de profeet te vieren. Het elohimisme, dat geen eisen stelt aan de moraal, verovert de wereld.

Was het in Platform de islam die werd aangevallen, in La possibilité d'une île zijn de parallellen met het christendom legio (de profeet en zijn `verloofden', de wederopstanding) en de blasfemie evident. Het christendom is te verzwakt om effectief te kunnen reageren op de nieuwe wereldgodsdienst en moet toekijken hoe rooms-katholieke kerken voor de elohimitische cultus worden opgekocht. De islam biedt meer weerstand, maar het oprukkende kapitalisme in de Arabische landen zorgt voor een massale revolutie van de jongeren, waarna de islam tot stof vergaat.

In de commentaren van Daniel24 en Daniël25 lezen we hoe het de wereld en de mens sindsdien verder is vergaan. De uitverkorenen worden na hun dood (niet meer dan een moment van triestheid) geïncarneerd in een volgend genetisch exemplaar van hun generatie. Ze leven in gesloten, elektronische systemen, zijn lichamelijk nog maar van een paar voedingsstoffen afhankelijk. Het sociale leven is verdwenen, een altruïsme-gen bleek niet te vervaardigen en dus zit iedereen als individu opgesloten in zijn eigen systeem, verlost van alle emoties die het leven van de mens zo onverdraaglijk maakten.

Dat laatste is nu precies wat deze roman veel minder meeslepend maakt dan Elementaire deeltjes of Platform. Afstandelijk van toon of zelfs vlak is Houellebecq altijd geweest, maar zo kil en koud was hij nog niet eerder. Het verhaal van Daniël1 staat dichtbij Houellebecqs vorige boeken, maar de delen waarin Daniël24 en Daniël25 aan het woord zijn, zijn wel bijzonder technisch en onderkoeld beschrijvend. En daardoor wordt onderstreept hoezeer de roman `bedacht' is. In hun commentaar doen de klonen verslag van de vooruitgang van de genetische wetenschap, maken ze droogjes melding van `intermenselijke conflicten' en klimatologische rampen. Hun lichaam is niet meer dan een werktuig, gevoelens kennen ze nauwelijks meer. Enige psychologische spanning heeft Houellebecq aan hen dus niet kunnen ontlenen. Dat doet afbreuk aan de roman. Bovendien zijn de beschrijvingen op het langdradige af. Had de auteur de beelden van de film al in gedachten, waarvoor hij inmiddels ook al een contract afsloot? Zijn de herhalingen erin geslopen, omdat hij vanuit drie gezichtspunten moest uitkomen op een chronologische lijn naar de eeuwigheid?

Die kritiek neemt niet weg dat Houellebecq in possibilité d'une île op een indrukwekkende manier uitwerkt wat hij in de epiloog van Elementaire deeltjes al aankondigde. Hij verbeeldt de ondergang van de westerse beschaving en roept huiveringwekkend de nieuwe mens tot leven. Een eiland van geluk behoort niet tot de mogelijkheden. De laatst sprekende kloon vindt zijn bestaan zinloos. Hij ontvlucht zijn veilige cocon, zwerft door het desolate landschap, staart woordeloos en gevoelloos over de zee en ziet een lege toekomst. Leven met menselijke emotie is een hel. Maar onsterfelijkheid zonder menselijke emotie is dat net zozeer. Staren in het niets is wat de voor het laatste restje van de mens overblijft.

Michel Houellebecq: La possibilité d'une île. Fayard, 432 blz. €20,90

Het boek verschijnt op 31 augustus in Frankrijk. De Nederlandse vertaling bij De Arbeiderspers is gepland voor eind november.

    • Margot Dijkgraaf