Van het ene front naar het andere

Het is in Engeland niet ongewoon en het trekt geen bijzondere aandacht, als op de omslag van een nieuw boek van een tamelijk bekende auteur een aanbeveling staat door een algemeen bekende auteur. Hoe kan dat, vraagt de naïeve lezer zich soms nog even af: dit boek is nog maar net verschenen!

Het kan toch: niet vanzelf natuurlijk. Voor een aanbeveling van Sebastian Barry's vierde roman zijn ze tot de bovenste plank gegaan: daar heeft J.M. Coetzee de verzekering gegeven dat dit `a deeply moving story of courage and fidelity' is. Nu staan beide schrijvers op de longlist van de Booker Prize, die over anderhalve maand wordt uitgereikt.

Barry is een Ier die in de afgelopen tien jaar eerst de aandacht heeft getrokken met doordachte toneelstukken (The Steward of Christendom, Our Lady of Sligo) en ze nu afwisselt met romans. Zijn titel geeft mooi aan waar het deze keer over gaat: wij weten bijna allemaal nog waarheen de weg zo lang was. De oorlog wordt hier beleefd door Willie Dunne, zoon van een Dublinse politieman die zijn gezin trouw heeft bijgebracht aan de koning en het Verenigd Koninkrijk. Kort na het uitbreken van de oorlog neemt Willie dienst in het leger, en van begin 1915 tot eind 1918 kunnen wij zijn leven volgen in Frankrijk, meestal in de loopgraven. Zijn fysieke bestaan wordt overheerst door kanongebulder, bloed, verminkingen en modder. Barry heeft zich grondig verdiept in die materie, en geeft een lijst van zijn bronnen aan het slot.

De jonge soldaat is rond Pasen 1916 met verlof in Dublin wanneer de Ierse opstand uitbreekt, en hij wordt opgeroepen om deel te nemen aan de onderdrukking ervan. Terug aan het westelijk front wordt hij steeds meer beklemd door het besef dat hij niet langer een saamhorig koninkrijk vertegenwoordigt; de Ierse nationalisten beschouwen hem als een handlanger van de bezetter, en bejegenen hem als zodanig als hij weer met verlof komt.

Willies levensomstandigheden raken je in wisselende mate. De verschrikkelijkste komen het beste uit: de regens van augustus 1917 bijvoorbeeld, toen in de alomtegenwoordige modder de loopgraven niet meer te onderscheiden waren van het omliggende terrein; en een offensief wanneer de troepen gebogen voorthollen over een veld van honderden meters bezaaid met stinkende en verminkte lijken van zowel Duitsers als Engelsen.

Ook geweld op kleinere schaal kan Barry voelbaar maken. Hij beschrijft een bokswedstrijd van twee krachtpatsers zonder handschoenen, tot vermaak van de troepen achter het front: de knallen op de schedels en de dreunen op het vlees, het vallen en opstaan, het bloed en de kreten zijn schrikbarend. Als Barry steeds op deze manier zou zijn doorgegaan was de roman overweldigend en onverdraaglijk geworden. Nu staan er passages tussen die een stuk minder meeslepend zijn. Soms is de aaneenrijgende verteltrant te effen; soms klinken de dialogen toonloos, vooral wanneer zij minstens één fuck, fucking of fucker per regel bevatten. In een passage waar de troepen elkaar beschieten in de mist zonder te weten hoever zij van elkaar af zijn, wordt de verbeelding op spanning gebracht totdat een van de Ieren zijn gevoel uitdrukt: `,,Fucking hell,'' said Christy Moran. ,,O, the fuck''.' Weg spanning.

En bleef Coetzee steeds deeply moved? Misschien heeft hij pagina's overgeslagen. Het is onwaarschijnlijk dat veel zorgvuldige lezers zonder meer met hem zullen instemmen. Er zijn wél ontdekkingen te doen, en die dragen weer bij tot meer begrip van de oorlog die nog steeds tot onze nieuwe geschiedenis behoort.

Sebastian Barry: A long long way. Faber, 292 blz. €23,60

    • J.J. Peereboom