Rekeningrijden begint vanaf 2012

Het kabinet wil rekeningrijden geleidelijk invoeren tussen 2012 en 2016. De kosten hiervoor bedragen eenmalig twee tot vier miljard euro en daarna een miljard per jaar.

Bronnen rondom het kabinet melden dat de ministerraad vandaag zou besluiten te onderzoeken of de hoge kosten die met de invoering van een systeem voor rekeningrijden gemoeid zijn naar beneden kunnen. Voorafgaand aan beprijzing op alle hoofdwegen kiest het kabinet voor heffingen ,,naar tijd en plaats'' op vier tot zes knelpunten.

Dit is het resultaat van een discussie over de nota Mobiliteit die minister Peijs eerder heeft gepresenteerd en waaraan een breed platform onder voorzitterschap van oud-ANWB-voorzitter Nouwen uitwerking heeft gegeven.

Het kost vier miljard euro om zeven miljoen voertuigen geschikt te maken voor rekeningrijden, zo blijkt uit de nota `Naar een betrouwbare en voorspelbare bereikbaarheid' van de ministers Peijs (Verkeer, CDA) en Dekker (VROM, VVD), waarover het kabinet vandaag zou spreken.

Voordat het rekeningrijden overal in het land zal worden ingevoerd, wordt begonnen met heffingen op vier tot zes knelpunten. Dit zijn de tweede Coentunnel, de wegen bij Utrecht, de passage bij Maastricht en de A4 tussen Delft en Schiedam. De oplossing van deze knelpunten zal volgens het kabinet tot stand komen met een flinke bijdrage van het bedrijfsleven. De heffingen gelden pas na de werkzaamheden volgens het principe `eerst bouwen, dan beprijzen'.

In de voorfase zullen de automobilisten met diverse vormen van rekeningrijden te maken krijgen. Zo komt er een zogeheten `platte heffing' over gereden kilometers, er kan tol worden geheven bij nieuwe wegen, tunnels of bruggen en er kan tol worden gevraagd op bestaande wegen.

Uit de nota blijkt verder dat het kabinet kiest voor de aanleg van nieuwe wegen of uitbreiding van bestaande. Daarvoor wordt extra 14,5 miljard euro beschikbaar gesteld. Tot 2020 komt 1 miljard vrij voor, wat genoemd wordt, de leefomgeving rondom wegen.

    • Harm van den Berg