Publieke veiligheid gaat boven riante levenssfeer

In de strijd tegen terreur is de voorgestelde bewaarplicht van communicatiegegevens geen overbodige luxe, vindt Frans Beishuizen.

Preken voor eigen parochie: Jacob Kohnstamm, de voorzitter van het College bescherming persoonsgegevens, betoont zich een meester in deze kunst blijkens zijn artikel `Geef privacy niet zomaar op voor terreur' (Opiniepagina, 19 augustus). Hij miskent de sentimenten in de samenleving wanneer hij de noodzaak van de bewaarplicht betwijfelt.

De bewaarplicht behelst de verplichting voor de providers in de elektronische communicatiesector om gedurende een bepaalde termijn gegevens te bewaren van afnemers van internet- en telecommunicatiediensten. Uit verschillende onderzoeken waaronder het representatieve bevolkingsonderzoek 21 minuten.nl en de Belevingsmonitor van het kabinet (beide te raadplegen op internet) blijkt dat burgers zich ernstig zorgen maken over veiligheid en criminaliteit. Een gevoel van onveiligheid lijkt – zeker waar het de dreiging van terreur betreft – terecht. Ook in Nederland. Internationale terroristen spuien dreigende taal in de richting van ons land. Er bestaat nog onduidelijkheid over de omvang van de zogeheten Hofstadgroep. Bovendien is elke avond op televisie te zien hoe de strafrechtspleging moeite heeft met grote en kleine criminaliteit. Het is dus niet gek dat de burger zich ernstig zorgen maakt over de veiligheid.

Recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau toont aan dat de roep om sterk leiderschap steeds luider klinkt onder alle leeftijdsgroepen en leden van alle politieke gezindten. Is in Nederland een scenario ondenkbaar waarbij de kiezers en masse – bijvoorbeeld na een terroristische aanslag – hun heil zoeken bij populistische politici die bereid zijn met straffe hand op te treden? Welk effect zou dat op de burgerrechten hebben? Is het niet beter om nu – met inachtneming van de juiste proporties – alles uit de kast te halen om het veiligheidsgevoel van de burger te verbeteren door bijvoorbeeld het instellen van een bewaarplicht?

De vraag of de bewaarplicht zal bijdragen aan betere opsporing cq grotere veiligheid lijkt op voorhand positief te kunnen worden beantwoord. Terroristen en criminelen gebruiken steeds meer moderne communicatiemiddelen om (van afstand) hun snode plannen vorm te geven. Het is logisch dat de beschikbaarheid van communicatiegegevens de opsporingsambtenaren in een zo vroeg mogelijk stadium kan helpen haarden van onrust in kaart te brengen en de kring van verdachten vast te stellen.

Dit wordt ondersteund door onderzoek, dit voorjaar uitgevoerd door onderzoekers van de Erasmus Universiteit in opdracht van minister Donner van Justitie. Dit onderzoek toont aan de hand van vraaggesprekken met opsporingsambtenaren en historisch onderzoek naar 65 strafzaken aan dat bij opsporingsambtenaren behoefte bestaat aan een langere bewaarplicht. Nu wordt bij de opsporing – anticiperend omdat de mogelijkheid er nauwelijks is – slechts in mindere mate gebruik gemaakt van communicatiegegevens. Kohnstamm merkt over dat onderzoek terecht op dat op dat de conclusies voorzichtig zijn: het is geen onomwonden positief advies. Maar dat is weinig verwonderlijk. Het is überhaupt de vraag of een (voornamelijk) historisch onderzoek onomstotelijk toekomstig nut en noodzaak kan aantonen. De discussie over de bewaarplicht gaat over een toekomstvisie op veiligheidsbeleid in een open democratische samenleving. Niet om een analyse hoe het vroeger was.

In de discussie over de noodzaak van een bewaarplicht rijzen talloze vragen. Is het voldoende dat door het bewaren van communicatiegegevens een paar criminelen meer worden opgepakt? Of als er één aanslag mee wordt voorkomen? Op dit soort vragen zijn geen zuiver wetenschappelijke antwoorden te geven, wel antwoorden die de maatschappelijke realiteit niet ontkennen.

Bij de voorgestelde bewaarplicht geldt dat de inhoud van de communicatie (de gespreksstof) niet wordt opgeslagen, alleen tijdstip, duur en identiteit van de betrokkenen. Daarnaast worden de gegevens niet voor eeuwig bewaard, maar voor een periode van een jaar, terwijl nu – zonder dat daartoe een verplichting bestaat – drie maanden gebruikelijk is. Vanuit dat perspectief lijkt de maatregel voldoende proportioneel.

De alternatieven die volgens Kohnstamm meer voor de hand liggen: het stroomlijnen van procedures en formaliteiten, het stellen van prioriteiten bij de opsporing en het identificeren van potentiële terroristen, zijn halfslachtig. In het huidige tijdsgewricht is het nodig dat de overheid er voor kiest om aan het onveilige gevoel van de burger tegemoet te komen. De burger heeft niets aan een riante persoonlijke levenssfeer in een levensgevaarlijke publieke ruimte.

Frans Beishuizen is strategisch consultant in Amsterdam.

    • Frans Beishuizen