Land van alle wapens

In 1585, toen de oorlog met Spanje al een tijd aan de gang was, kenden de opstandige Nederlandse gewesten geen wapennijverheid van betekenis. Wapens en ander oorlogsmaterieel, nodig voor de strijd, moesten uit Luik, Duitsland en Engeland worden geïmporteerd. Amper vijfendertig jaar later bezat de Republiek de grootste en meeste dynamische wapenindustrie van Europa. Luik en Duitsland waren weggevaagd als producenten. Hun ambachtslieden hadden zich in de Republiek gevestigd en deden daar goede zaken. De Nederlandse wapenproducenten breidden hun werkterrein zelfs uit tot Zweden. Hoe is deze verbazingwekkende ontwikkeling te verklaren?

De militair-historicus Michiel de Jong geeft in zijn uitstekende, vernieuwende en rijk gedocumenteerde studie Staat van oorlog het antwoord. De spectaculaire ontwikkeling van een volledig nieuwe bedrijfstak was het resultaat van het samenspel van op innovatie gerichte kooplieden-ondernemers en een op oorlogsvoering en agressieve economische expansie gerichte overheid. De hoofdrol was weggelegd voor de kooplieden-ondernemers. Zij wisten in te spelen op de enorme vraag naar wapens, buskruit en ander oorlogsmaterieel, die het gevolg was van de oorlog met Spanje en belangrijker nog – van de snelle modernisering die het leger en de vloot van de Republiek in die jaren van strijd onderging. Prins Maurits creëerde een totaal nieuw leger en een nieuwe vloot, die tot de beste en modernste van Europa behoorden en buiten de Republiek navolging vonden. Maar ook de koopvaardij en de Verenigde Oostindische Compagnie waren grote wapenafnemers. De handelsvloot was zwaar bewapend, gereed om zich op elk moment te kunnen verdedigen en bereid om de nieuwe overzeese markten desnoods met kanongebulder te veroveren.

De ondernemers brachten geen technologische vernieuwingen tot stand. Dat was niet mogelijk en ook niet nodig. Zij organiseerden de wapenproductie efficiënter en profiteerden van de schaalvergroting. Zij verschaften de ambachtslieden en buskruitmakers op ruime schaal krediet en kochten grondstoffen in. Daarmee kon vooral het eeuwige probleem van een onvolkomen en wisselvallige grondstoffenaanvoer (bijvoorbeeld salpeter voor buskruit) worden opgelost. En het was de overheid, zelf bestaande uit de kapitaalkrachtige elite van kooplieden-ondernemers, die het bedrijfsleven krachtig ondersteunde met kredieten en stimulerende beleidsmaatregelen. De overheid richtte zich vooral op de langeafstandshandel en leverde vooral in de beginfase ervan onmisbare steun. Hoe kooplieden en overheid precies werkten, laat De Jong aan de hand van talloze, boeiende voorbeelden zien. Het boek levert ook veel nieuwe kennis op over de militaire hervormingen van prins Maurits en over de staatsvorming en economische ontwikkeling in de Republiek in deze vroege periode.

Na 1620 begon de Republiek zich ook te ontwikkelen tot de grootste wapenexporteur van Europa. Dit onderwerp komt in De Jongs boek niet meer echt aan de orde; het vergt een aparte studie. Tot ver buiten ons werelddeel werden de Nederlandse wapens verspreid. Nederland was het `arsenaal van de wereld' geworden.

Michiel de Jong: Staat van oorlog. Wapenbedrijf en militaire hervorming in de Republiek der Verenigde Nederlanden. 15851621. Verloren, 384 blz. €35,–

    • J.A. de Moor