Janken zonder geluid

De roman `De asielzoeker' van Arnon Grunberg wordt bewerkt voor het toneel. Regisseur Johan Simons probeert zich in te leven in de levensmoede hoofdpersoon: ,,Pijn, pijn, pijn, dat is Beck voor mij.''

erder moet alles nog gebeuren. Maar het decor van het toneelstuk De asielzoeker is klaar. De Duitse decorontwerper Bert Neumann heeft op het podium een reuzenmatras van negen bij negen meter neergelegd met daarop een plattegrond van Gent. Daaromheen heeft hij grote foto's van levensechte asielzoekers gehangen, omlijst door tweeduizend frivole showlampjes. Waarschijnlijk heeft Neumann het boek niet gelezen, het boek van Arnon Grunberg waarop het toneelstuk is gebaseerd. Want dat gaat niet over Gent. En eigenlijk ook niet over asielzoekers. De tweeduizend frivole showlampjes passen wel goed bij Grunberg, maar juist niet bij De asielzoeker. Dat is immers zijn meest ingetogen boek, zijn treurigste, meest wanhopige, illusieloze, maar ook meest liefdevolle werk.

Arnon Grunbergs roman De asielzoeker wordt bewerkt voor toneel. Op 21 oktober gaat het stuk in België in première als openingsvoorstelling van NTGent, het ambitieuze nieuwe gezelschap van regisseur Johan Simons. Oktober is nog ver weg. Vorige week zouden de repetities beginnen, maar die zijn uitgesteld omdat Simons met zijn gezin nog tussen de verhuisdozen zit. Wel heeft huisdramaturg Koen Tachelet inmiddels de eerste, voorlopige versie van de toneeltekst voltooid. Alleen Simons heeft het gelezen, de acteurs nog niet.

Grunbergs boek is een geriefelijk fundament, het biedt veel geestige, hartverscheurende dialogen tussen drie mensen in één huiskamer. Op dat fundament bouwen gerenommeerde acteurs; de Vlaming Wim Opbrouck speelt de hoofdrol: Beck, een gedesillusioneerde schrijver die zich aan het leven probeert te onttrekken. De dikke bon vivant Opbrouck is spannend tegengecast. Je zou de onopvallende klerk Beck niet snel associëren met een toneelbeest als Opbrouck. De kastanjerode, frêle Elsie de Brauw zie je wel meteen voor je als Vogel, Becks vriendin die ongeneeslijk ziek is. Vlak voor haar dood trouwt zij met een asielzoeker, gespeeld door Servé Hermans. Aus Greidanus jr. speelt alle andere rollen, de vragenstellende buitenwereld, de rechercheur, de journalist, de arts, de begrafenisondernemer.

Johan Simons heeft een enorme reputatie opgebouwd als baas van Hollandia, gespecialiseerd in theater op locatie, in fabrieken, autosloperijen en onder bruggen. De laatste jaren heeft hij zich toegelegd op zijn internationale carrière; vooral in Duitsland werd hij een ster met spraakmakende voorstellingen als Müllers Anatomie Titus en Houllebecqs Elementarteilchen, die in juni nog te zien waren op het Holland Festival. De komende jaren gaat hij ook regisseren bij de Opéra National de Paris. In mei regisseert hij er Simon Boccanegra (1857), een opera van Verdi. De toneelwereld kijkt reikhalzend uit naar zijn nieuwe heldendaden in Gent.

Toekomstmuziek

Vorige week woensdag in Rotterdam het voorzichtige begin: Simons komt in een warm kantoortje in de schouwburg samen met zijn dramaturgen Koen Tachelet en Paul Slangen om voor het eerst de toneeltekst te lezen. Simons luistert, met voor zich een groot schrift. Op de kaft staat `Nieuwe stukken – Toekomstmuziek – Schetsboek.' Slangen en Tachelet lezen samen de rollen. De eerste scène is al heel anders dan in het boek. De roman begint in de slaapkamer van Vogel en Beck. Vogel vertelt dat ze ziek is: ,,De vogel is ziek.''

Het toneelstuk begint in Israël, tien jaar eerder. Beck vertelt aan Vogel dat hij een hoer een oog heeft uitgestoken, ,,met een schroevendraaier van de gemeente''. Deze dramatische gebeurtenis, voor Beck een keerpunt waarna hij alleen nog maar een vegeterend leven wil leiden in een ongevaarlijke uithoek van de maatschappij, wordt in het boek geleidelijk onthuld zodat de lezer zich lange tijd kan afvragen waarom Beck zo'n passief leven leidt: ,,Iets in Beck is gestorven, hij wacht tot de rest zal sterven, zodat alle delen weer gelijk zijn. Hij geeft de hoop niet op, hij weet niet hoe dat moet.''

Op toneel, zo vindt Tachelet, werkt zo'n geleidelijke opbouw niet. Je moet direct met de deur in huis vallen, het probleem op tafel leggen. Al vrij snel in scène 1 valt de sleutelzin. Vogel zegt: ,,Je hebt jezelf gebroken.'' In de rest van het toneelstuk zijn de scènes in Israël vooral samen opgehaalde herinneringen. Volgens Simons zitten we in een angstdroom van Beck, waarin heden en verleden in elkaar schuiven. Zo kan Vogel ook gerust tegen Beck praten als ze al dood is.

Simons zwijgt enige tijd als de eerste scène voorbij is. Daar worden de dramaturgen zenuwachtig van. Ze denken waarschijnlijk dat hij het niet goed vond, en stellen meteen veranderingen voor. Slangen: ,,Misschien kunnen we beginnen met de dérde zin: `Er is iets gebeurd.' Dat is nog directer.''

Tachelet: ,,Misschien kunnen we beginnen met het interview van de journalist, of met de introductie van Beck, in Duitsland.''

Simons: ,,Nee, nee, ik zeg niet dat het niet goed is. Ik probeer het alleen voor me te zien.'' Hij staart naar het grote schrift en mompelt: ,,Wim zegt niets... stilte... Elsie raakt Wim aan... stilte... Wim zegt nog niets... stilte.''

Dan stelt hij een concrete vraag: ,,Maar wat maakt die man herkenbaar voor het publiek? Wat is zijn levensgevoel?''

Tachelet: ,,Beck leeft een theoretisch, een conceptueel leven. Hij heeft bedácht dat je zo moet leven. Hij noemt zichzelf de ontmaskeraar, hij ziet het als zijn taak om alle illusies te ontmaskeren. Dat hij de asielzoeker in zijn huwelijk toelaat, is een interessant concept. Wat ligt er na het failliet van de westerse samenleving? Daar zijn we naar op zoek. In niet-westerse samenlevingen zijn ze veel beter in het samenwonen in groepen of andere verbanden dan ons traditionele man-vrouw-huwelijk. Tegenover de levensmoede Beck staat de levenslustige asielzoeker die op het eind opstaat en zegt: `Ik ga mijn volk bevrijden.' Dat zijn dingen die ons westerlingen ongelooflijk jaloers maken.''

Simons: ,,Ja dat is psychologie, en filosofie. Maar wat gaan we zien op toneel? Ik zie Beck als een man die de hele voorstelling lang geluidloos zit te janken. Pijn, pijn, pijn, dat is Beck voor mij.''

Zo gaat het een tijdje door. De regisseur en de dramaturgen praten enigszins langs elkaar heen. Simons' grote kracht is zijn gevóel voor theater. Hij kan iedere repetitiedag opnieuw als blanco toeschouwer naar zijn eigen werk kijken, en feilloos zien wat werkt, en wat niet. Hij denkt heel primair. Als je hem spreekt vlak voor de première heeft hij zich weliswaar de dramaturgentaal eigen gemaakt, en wil hij ook best een mooie verhandeling geven over de laatste stuiptrekkingen van de Verlichting. Maar nu is hij in een ander stadium, nu worstelt hij nog om het stuk concreet te maken.

Danspassen

De dramaturgen daarentegen zijn bezig met het theoretische verhaal achter de tekst. Treffend is een dramaturgenzin uit de seizoensfolder over De asielzoeker: ,,Beck en zijn vrouw belichamen de dodelijke vermoeidheid van de westerse mens, hun levens vormen de laatste melancholische danspassen van een cultuur die ten onder gaat.'' De dramaturgen moeten dit stuk ook theoretisch in Simons oeuvre inpassen, dat vaak gaat over geweld en andere ellende in een maatschappij op de rand van de verwoesting. Simons vindt het zijn plicht om als kunstenaar actueel politiek commentaar te geven. De asielzoeker lijkt eerder te passen bij de mildere, huiselijke kant van zijn oeuvre, verwant met toneelstukken als Vrijdag van Hugo Claus.

Simons: ,,De vrouw van Beck gaat trouwen met een andere man, en hij laat dat toe, in zijn eigen huis. Dat vind ik grandioos. Het boek is totaal niet cynisch. Grunberg laat een relatiedriehoek zien die werkt; een relatie die gebaseerd is op zorg, op het leven voor de andere. `Ik ben er om Vogel te zien leven', zegt Beck eenvoudig.''

Simons zegt dat hij een haat-liefdeverhouding heeft met de roman: ,,Mijn vrouw vindt het een meesterwerk, als ze het opnieuw leest, moet ze steeds weer huilen. Ik ben een omhooggevallen boerenzoon, ik kan niet zo goed tegen figuren als Beck. Hij lijdt aan het besef van zijn eigen zinloosheid. Als ik dat boek lees denk ik al snel: DOE IETS! Maar ik weet dat Becks levensgevoel een groot, gedeeld gevoel is in deze maatschappij. Het is ook niet mijn taak als mens en regisseur om mijn eigen gevoelens te exploiteren, maar om juist die van de anderen te verkennen en te erkennen. Dat is een waarde die door de individualisatie totaal is kapotgemaakt.''

Vijf dagen later, aan de telefoon uit Bern, maakt Grunberg zich vrolijk over Simons' boerenzoon-commentaar op De asielzoeker: ,,Een boerenzoon kan denken: `Ik voel me verlamd, ik ga aan de tuin werken.' Dat is misschien bevredigender, maar niet per se edeler dan wat Beck doet: door de stad wandelen. De kiem van waar Beck aan lijdt, is heel herkenbaar. Het is grote angst voor het leven, voor alles wat zich aan zijn controle onttrekt.''

Grunberg deelt Simons' bewondering voor de bereidheid van Beck om de asielzoeker in zijn relatie toe te laten: ,,Het is inderdaad een grandioze zelfopoffering. Maar hij doet het ook voor zichzelf: het kan heel verlossend zijn om voor iemand anders te kunnen leven. Zelfopoffering is voor hem boetedoening. Zijn bestaan krijgt weer nut. Dat werkt alleen maar voor de tijd dat Vogel stervende is, en omdat het samengaat met de komst van de asielzoeker. Als Vogel was blijven leven, was die zelfopoffering ondraaglijk voor haar geworden.''

Grunberg wilde aanvankelijk een boek schrijven over een man die zich ten onrechte voordoet als asielzoeker: ,,Maar toen zag ik de eerste scène voor me: Vogel die ziek is en wakker wordt en het aan haar man vertelt. Ik zag Becks angst voor me. Die asielzoeker is uiteindelijk een beetje naar de achtergrond verdwenen.'''

Hoewel Grunberg het afhoudt, vrij van politiek is de roman niet. In het Israëlische gedeelte woedt buiten de eerste Golfoorlog. Beck gaat 364 dagen per jaar naar een bordeel (op Grote Verzoendag zijn ze gesloten) waar een schuilkelder is ingericht als peeskamer. Tijdens een luchtalarm worden de hoeren en klanten daar bijeengedreven. Grunberg wijdt er een verstikkende beschrijving aan. De schuilkelder als gaskamer, dat is Becks wereldbeeld. Grunberg: ,,Voor Beck is het altijd oorlog, dus als het buiten echt even oorlog is, werkt dat geruststellend voor hem. Even is het buiten zijn hoofd precies hetzelfde als binnenin.''

Verder komt in het boek een aanslag voor op het Amsterdamse bordeel Yab Yum. Beck heeft ooit een verhaal geschreven dat zo'n aanslag beschrijft, daarom wordt hij door de media in staat van beschuldiging gesteld. De dramaturgen vinden dit heel actueel. Paul Slangen: ,,Beck is levensgevaarlijk, een wandelende tijdbom. Hij provoceert de samenleving op een ultieme manier. Wat dat betreft is hij een soort Theo van Gogh.''

Johan Simons trekt een moeilijk gezicht bij deze gezochte vergelijking: ,,Nee, ik ben niet zo'n fan van Theo van Gogh.''

Slangen: ,,Wat mij betreft gaat dit stuk over schuld en boete. Beck heeft een hoer een oog uitgestoken, maar hij wordt door de politie meteen weer vrijgelaten. Beck heeft schuld, voelt zich altijd schuldig. Maar de straf wordt hem onthouden, de samenleving zegt: maakt niet uit, ga maar lekker naar huis. Dat blijkt uiteindelijk de ergste straf die hem kan worden opgelegd. En hij straft zichzelf door zich uit het leven terug te trekken. Tot zijn vrouw ziek wordt.''

Tachelet: ,,Beck is schuldig aan die verminking, hij is schuldig aan het verwaarlozen van zijn vrouw, maar het enige waar hij zichzelf niet schuldig aan acht, het schrijven van een verhaal dat een misdaad kan hebben geïnspireerd, daarvoor wordt hij juist aan de schandpaal genageld.''

Grunberg: ,,Beck levensgevaarlijk? Beck is gevaarlijker voor zichzelf dan voor anderen. Om terrorist te zijn heb je een bepaald heilig geloof nodig. Beck heeft hoogstens een sterke overtuiging dat alle illusies ontmaskerd moeten worden, maar dat werkt bij hem voornamelijk verlammend. Hij is jarenlang van streek door dat ongeluk met dat oog, dan komt hij toch nooit aan moorden toe?''

Verantwoordelijkheid

De geëngageerde Simons en zijn dramaturgen spelen graag met de gedachte dat kunst inderdaad gevaarlijk kan zijn, in ieder geval invloed heeft, dat de kunstenaar daarom een zwaarwegende morele verantwoordelijkheid heeft. Grunberg verwerpt dit: ,,Goed, de moordenaar van Lennon had een boek van Salinger bij zich. Maar romans zijn helemaal niet geschikt om aan te zetten tot misdaad. Een roman laat namelijk vele kanten van een probleem zien, en doet geen stellige uitspraken. Je kunt met Dostojevski in de hand een terroristische aanslag plegen. Maar je kunt uit zijn boeken evenveel argumenten halen om géén aanslag te plegen. Volgens mij lezen terroristen trouwens geen romans, behalve dan de koran en de bijbel. De invloed van de letterkunde is zeer beperkt, het is op zijn best een vorm van vermaak. Wat overigens niet wil zeggen dat het voor mij als schrijver ook louter vermaak is. Voor mijzelf is het een ernstiger zaak.''

Maar toch, Beck zegt dat hij is gestopt met schrijven omdat `de bron is vergiftigd'. Hij vindt zijn eigen geschriften wel degelijk een gevaar voor de morele volkshygiëne. Grunberg: ,,Nee, ik denk dat hij juist tijdig de zinloosheid van zijn schrijven inzag. Niet voor niets kiest hij voor het vertalen van gebruiksaanwijzingen. Als je daarmee een fout maakt, kunnen er doden vallen. Gebruiksaanwijzingen zijn veel gevaarlijker dan letterkunde.''

`De asielzoeker'. Première 21 okt. Schouwburg Gent. Tournee door Nederland en België t/m 21 dec. Inl. 0032-9-2250101 of www.ntgent.be.

    • Wilfred Takken