Groslijst zonder literair talent

Rumoer hoort bij de literaire Nobelprijs. In de aanloop naar de bekendmaking van de 102de laureaat (op de eerste donderdag van oktober) bespreekt het CS vijf controversiële winnaars. Om te beginnen honderd jaar rellen in vogelvlucht.

In Earthly Powers van Anthony Burgess, een roman die twintig jaar geleden een onuitwisbare indruk op me maakte, vertelt de hoofdpersoon over het mooiste boek dat hij ooit las. Het is 1925 en Kenneth Toomey, een succesrijke Britse schrijver in het lichte genre, vaart van Honolulu naar San Francisco, wanneer hij in de scheepsbibliotheek een Engelse vertaling ontdekt van een romancyclus van de joodse Oostenrijker Jakob Strehler. Een weinig bekende auteur in die dagen, noteert Toomey, want `de complexe originaliteit van zijn compositie en stijl viel niet erg in de smaak bij het soort lezer dat naar een roman van, zeg, Toomey zou grijpen in de hoop op easy thrills, zonneklare chronologie en zachtjes voortkabbelende taal'.

Binnen een paar alinea's geeft Toomey/Burgess een aanstekelijke samenvatting van Father's Day, zoals de cyclus in het Engels heet. De taal mag dan onalledaags zijn en de chronologie verwarrend (wat ook komt doordat de verteller in een voortdurende staat van dronkenschap verkeert) – dat betekent niet dat Vatertag moeizaam leest. Integendeel, het verhaal van een Weense familie in de hoogtijdagen van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie is een `komisch meesterwerk' dat zich volgens Toomey het best laat vergelijken met de schelmenromans van Rabelais. Uit de rest van zijn karakteriseringen krijg je het gevoel dat Vatertag daarbij ook nog eens een geniale mengeling is van James Joyce's Ulysses (de exuberante taal, het leven in één dag) en Robert Musils Mann ohne Eigenschaften (de absurditeiten en de teloorgang van de Dubbelmonarchie). Strehlers andere boeken – zijn `bitterzoete liefdesverhalen van het Oostenrijkse platteland' en zijn Mozes-tetralogie `die de techniek van Vatertag toepast op de joodse geschiedenis' – doen volgens Toomey niet onder voor zijn magnum opus, en hij acht het dan ook niet meer dan terecht dat de grote Oostenrijker in 1935 de Nobelprijs voor literatuur kreeg, vier jaar voordat hij als jood en dissident naar een kamp werd afgevoerd.

Verzinsel

Ik zal niet de enige lezer van Earthly Powers zijn geweest die, op zoek naar een boek van Jakob Strehler, teleurgesteld ontdekte dat de schrijver een verzinsel was van Anthony Burgess, en dat de Nobelprijs voor literatuur in het jaar 1935 niet is toegekend. Dat laatste deed destijds nogal wat stof opwaaien, want het was de eerste keer sinds de instelling van de prijs (1901) dat er – in vredestijd, tenminste – geen laureaat werd genoemd. In 1914 had het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de Zweedse Academie verhinderd om een winnaar aan te wijzen; in 1918 had de beoogde laureaat, de dichter Erik Axel Karlfeldt, in een vroeg stadium gezegd dat hij de prijs niet mocht krijgen omdat hij zelf secretaris van de Zweedse Academie was. Maar in 1935 schreef het Nobelprijscomité van de Academie expliciet (in een op 19 september gedateerde brief) dat geen van de kandidaten op de traditionele groslijst genoeg literaire kwaliteit had.

Een Nobel-relletje was geboren. De wegen van het Nobelprijscomité zijn ondoorgrondelijk, er worden vreemde keuzes gemaakt en grote namen gepasseerd; maar het slaat natuurlijk nergens op om te zeggen dat er geen geschikte kandidaten zijn als je in de jaren daarna de prijs zonder problemen wél uitreikt. Nog afgezien van het feit dat er in 1935 nogal wat schrijvers rondliepen die al jaren Nobelprijswaardig waren. Wat te denken van Anna Achmatova, F. Scott Fitzgerald, André Gide (die de prijs in 1947 kreeg), Maksim Gorki, Herman Hesse (laureaat in 1947), James Joyce, Robert Musil, Fernando Pessoa, Ezra Pound, T.S. Eliot (1948) en Virginia Woolf? Stuk voor stuk schrijvers die de prijs meer verdienden dan Roger Martin du Gard, Pearl S. Buck en Frans Sillanpää, die de prijs in de laatste jaren vóór de Tweede Wereldoorlog kregen.

Meestal is het trouwens het wél uitreiken van de Nobelprijs voor literatuur wat tot kritiek leidt. Het exorbitante prestige van de prijs (en de bijbehorende geldsom, tegenwoordig meer dan een miljoen euro) is er ongetwijfeld de oorzaak van dat er nogal wat omstreden Nobelprijswinnaars zijn geweest. Neem Erik Axel Karlfeldt, die in 1918 zo verstandig was om zichzelf van de shortlist te laten halen; in 1931 kreeg hij de prijs alsnog, maar toen was hij al dood, waardoor het comité zich de woede op de hals haalde van iedereen die zich herinnerde dat Alfred Nobel had bepaald dat de prijs naar een levende schrijver moest gaan – wat daarna ook altijd gebeurd is. Of Winston Churchill, die de prijs in 1953 kreeg `voor zijn meesterlijke historische beschrijvingen en voor zijn oratorisch talent'. De reacties van mensen die smaalden dat de auteur geëerd werd omdat hij de Tweede Wereldoorlog had gewonnen, waren niet terecht, aangezien Churchill als essayist en redenaar (twee literaire hoedanigheden die ook voor de Nobelprijs in aanmerking komen) bepaald niet de minste van zijn generatie was; maar de Zweedse Academie heeft van de weeromstuit nooit meer een Nobelprijs durven uitreiken aan iemand die alleen door non-fictie beroemd is.

Testament

Rumoer hoort bij de Nobelprijs; hoe kan het ook anders bij een prijs die meteen al in zijn eerste jaar een controverse opriep? Ter ere van het feit dat Alfred Nobel zijn testament in Parijs had opgesteld, moest de eerste Nobelprijs voor literatuur in 1901 naar een Fransman gaan. Maar de beroemdste nominé, Emile Zola, kreeg de prijs niet, omdat zijn werk door Nobel ooit `smoezelig' was genoemd. De eerste laureaat werd de dichter Sully Prudhomme, die al tien jaar niets had gepubliceerd. En ook in de jaren daarna was het raak: in 1902 ging de prijs naar de Duitse oudhistoricus Theodor Mommsen, wiens werk ironisch genoeg alleen door zijn vakgenoten tot de bellettrie werd gerekend; in 1903 naar de dichter Bjørnsterne Bjørnson, die in Zweden berucht was door zijn inzet voor het Noorse streven naar onafhankelijkheid; en in 1904 was er niet alleen gedoe over het feit dat er twee winnaars waren (iets wat zich in de honderdvijfjarige Nobelgeschiedenis nog drie keer zou herhalen), maar ook over het literaire belang van de Spaanse dichter José Echegaray.

De komende weken besteedt het Cultureel Supplement aandacht aan vijf tot de verbeelding sprekende relletjes uit de Nobelgeschiedenis (en bespreken we het werk van de schrijvers die er het lijdend voorwerp van waren). Maar vijf weken is eigenlijk niet genoeg om alle controverses uit de geschiedenis van de Nobelprijs de revue te laten passeren. We gaan voorbij aan de uitverkiezingen van Prudhomme, Mommsen en Bjørnson; maar ook aan die van Verner von Heidenstam, Karl Gjellerup en Henrik Pontoppian, de drie Scandinaviërs die de prijs in de jaren 1916-1917 kregen omdat de Academie in oorlogstijd `neutrale' schrijvers wilde bekronen. We gaan ook voorbij aan Grazia Deledda (in 1926 door de publieke opinie veroordeeld als streekromanschrijfster), en aan Winston Churchill en de Zweedse dark horses Eyvind Johnson en Harry Martinson (1974), die net als Deledda in een eerdere Nobelserie aan de orde kwamen (te vinden via www.nrc.nl). Wij behandelen in september het gekrakeel rondom José Echegaray, Boris Pasternak, Jean-Paul Sartre, Aleksandr Solzjenitsyn en de Italiaanse toneelschrijver Dario Fo, die in 1997 de laatste laureaat was die aanleiding gaf tot een Nobelrel. Vooralsnog de laatste, moeten we zeggen. Want als op de eerste donderdag van oktober de naam van de 102de winnaar van de literaire Nobelprijs bekend wordt gemaakt, ligt de controverse op de loer – zoals altijd.