God mag best naar buiten

Een atheïstisch offensief in Nederland lijkt de godsdienst te willen weren uit de publieke ruimte. Maar miskent dat niet de sociale kern van het geloof? Een opmerkelijke Amerikaanse bestseller pleit juist voor de terugkeer van God in de progressieve politiek.

Godsdienstvrijheid en tolerantie staan in Nederland hoog aangeschreven, maar inmiddels liggen die internationaal bewonderde deugden onder vuur. Sinds het moslimterrorisme zich heeft gemanifesteerd, lijken sommige politici de hele islam onder curatele te willen stellen. Tegelijkertijd worden aan islamitische zijde de rijen gesloten en valt het ergste te vrezen voor de vrijheid van degenen die zich daarin opgesloten voelen.

Van de weeromstuit staat ook het christelijk onderwijs en zelfs de christelijke politiek onder verdenking. Een luidruchtig atheïsme zou het liefst alle religie zien verdwijnen en wil het voorlopig alvast weren uit de openbare ruimte. Een geprivatiseerde en onzichtbare godsdienst is dan het minimum dat nog tolerabel heet.

Maar wanneer de religie onzichtbaar wordt, raakt ook datgene wat zich daarbinnen afspeelt aan de blik onttrokken. En daarmee beginnen de problemen pas. Hoe vrij is de Nederlandse gelovige werkelijk, vraagt de de journalist Michiel Hegener zich in zijn boek Vrijheid van godsdienst af. Van de staat heeft hij weinig te vrezen. In de grondwet en internationale verdragen is de bescherming tegen (`verticale') bemoeienis van staatswege solide verankerd. Maar hoe zit dat met de dwang van geloofsgenoten, familie en opvoeders? In de bescherming van de `horizontale' godsdienstvrijheid van het individu dat zich wil losmaken uit zijn geloofsgemeenschap, toont de staat zich zeer terughoudend. Volgens Hegener zou de overheid daarin een veel actievere rol op zich moeten nemen.

Een tour d'horizon langs de diverse religies die Nederland telt moet dat bevestigen. En inderdaad is het bij de islam meteen raak. De zwaarst mogelijke sancties (tot doodsbedreigingen aan toe) moeten moslims ervan weerhouden het geloof van hun vaderen vaarwel te zeggen. En kennelijk lukt dat goed, want Hegener heeft niemand kunnen vinden die bereid was openlijk van zijn afvalligheid te getuigen.

Tot zover krijgt hij dus gelijk in zijn vaststelling dat de godsdienstvrijheid in Nederland vanaf omstreeks 1970 (sinds de islam een factor van betekenis werd) is gedaald. Maar daarmee is het met de bewijskracht dan ook wel gedaan. De overige religies die Hegener onder de loep neemt betuigen allemaal een roerende aanhankelijkheid aan de vrijheid van het individuele geweten: van christendom via hindoeïsme, boeddhisme en jodendom tot atheïsme en humanisme, die door Hegener ook als religieuze varianten worden beschouwd.

Zo had Hegener kunnen besluiten met een oproep tot betere bescherming van uittredende moslims, voor zover daarbij althans de Nederlandse rechtsorde wordt geschonden. Dat er toch nog een boek van tweehonderd bladzijden uitgekomen is, danken we aan zijn wil de godsdienstvrijheid op maximale wijze in de samenleving zichtbaar te maken. Dat leidt niet alleen tot dédain voor de velen (ook moslims) die hun godsdienst eenvoudigweg laten versloffen, maar ook tot de roep om plakkaten in kerken en moskeeën met de tekst: `Het is verboden iemand die van geloof of levensbeschouwing wil veranderen daarbij tegen te werken of te ontmoedigen'.

Die laatste formulering maakt tegelijk duidelijk waar bij Hegener het religieuze misverstand schuilt. Waarom zou iemand een geloofsgenoot niet in alle vrijheid mogen trachten te weerhouden van zijn afvalligheid – of een andersdenkende tot zijn overtuiging te bekeren? Iedere levensvisie, religieus of niet, heeft nu eenmaal de gerechtvaardigde behoefte publiekelijk kond te doen van haar juistheid en ook anderen daarvan te doordringen.

Meer dan waar ook toont zich dat in de opvoeding, waarin kinderen gewoonlijk automatisch worden ingelijfd bij de godsdienst van hun ouders. Hegener pleit daartegenover voor een soort supermarkt-model, waarin kinderen geconfronteerd worden met een keur van levensovertuigingen waaruit zij in volle vrijheid kunnen kiezen wat hun past. Alleen zo – gegarandeerd door een nogal dreigend staatstoezicht – zou hun godsdienstvrijheid werkelijk gewaarborgd zijn.

De gelovigen die Hegener voor zijn boek heeft geïnterviewed zijn minder enthousiast. De Groningse pastoor Rolf Wagenaar zegt: `Ouders geven het kind mee wat zij belangrijk, wezenlijk, nodig en nuttig vinden. Wat het kind er later zelf mee doet is een andere zaak.' En Haci Karacaer, directeur van de Turkse moskeevereniging Milli Görüs, vult aan: `Als mens sta je ergens voor. Je hebt een overtuiging. En die wil je overdragen op je kinderen.'

Hegener miskent het sociale karakter van godsdienst. De keuze voor of tegen een godsdienst mag een zaak zijn van het individuele geweten, religie zelf is geen individuele zaak. Zoals Hegener zelf vaststelt, kiezen veel mensen voor een kerk of godsdienst omdat ze zich daarin door de sfeer en de mensen voelen aangetrokken, ook al zullen ze zelf belijden dat het hun alleerst om de inhoud van die religie te doen is. Geloofswaarheden hebben echter een vreemde status. Ze beschrijven iets wat niemand kan controleren en ontlenen hun waarde aan het feite dat ze (in gezamenlijkheid) beleden worden. Het woord wordt daarin (samen met het gebaar van het ritueel) letterlijk het vlees van de religieuze gemeenschap. Godsdienst behelst geen kennis, maar is een levensvorm.

Dat kinderen in hun opvoeding kennis nemen van zoveel mogelijk levensbeschouwelijke visies, concurreert dan ook nauwelijks met het feit dat zij met volle overtuigingkracht binnen één variant daarvan worden grootgebracht. Een latere breuk daarmee kan pijnlijk zijn en zal soms leiden tot verwijdering van ouders, familie of voormalige geloofsgenoten. Ongelukkig als dat is, vloeit het nu eenmaal voort uit de kracht die mensen verbindt met hun levensvisie en de sociale inbedding daarvan. Dergelijke drama's met een beroep op godsdienstvrijheid ongeoorloofd te verklaren is even onzinnig als Rudy Kousbroek te verbieden ooit nog lelijke opmerkingen te maken over Willem Jan Otten.

Tolerantie is dan ook allerminst onverschilligheid, zo zegt René Gude, directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte, in de interviewbundel Religie & verdraagzaamheid van de publicist Bart Top. De tolerantiegedachte ontstond in de zeventiende eeuw als een antwoord op de godsdiensttwisten, die niet om een theologisch of filosofisch maar om een praktisch antwoord vroegen. `Katholieken en protestanten mochten elkaar voorlopig blijven haten,' zo vervolgt Gude met ironisch realisme, `maar het ging erom dat de staat [...] de strijdende partijen uit elkaar zou houden.'

In zijn bundel legt Top een tiental religieus betrokkenen de vraag voor hoe het in deze `extreme tijd' in Nederland met de tolerantie is gesteld. De antwoorden zijn zorgelijk, mede doordat het begrip zelf een betekenisveranderling heeft ondergaan. Tot aan de jaren zestig, aldus VU-hoogleraar James Kennedy, `was het als het ware míjn verantwoordelijkheid als fatsoenlijk mens om anderen niet te kwestsen. Vanaf de jaren zestig kreeg juist de spreker een vrijbrief en moest de toehoorder meer tolerantie ontwikkelen om allerlei kwetsende uitspraken te dulden.'

Daarnaast lijkt een softe vorm van verdraagzaamheid gaandeweg de plaats te hebben ingenomen van de veeleisende vorm ervan, die – zo benadrukt Gude – de afkeer niet wegneemt tegenover wat node geduld wordt. `Het is niet verboden een ouderwetse opvatting over homoseksualiteit te hebben,' zo vult de conservatieve denker Andreas Kinneging aan. `Ik vind het zorgwekkend dat men dat niet ziet. Dan wordt het snel: er is vrijheid van meningsuiting, maar alleen als je dingen zegt die wij leuk vinden.' Een dergelijke ons-kent-ons-tolerantie stoort ook André Rouvoet, fractievoorzitter van de Christen Unie, die zelfs van een dreigende `seculiere dictatuur' spreekt. Overtrokken als dat mag zijn, protesteert hij terecht tegen de schijn-verdraagzaamheid die de godsdienst hoogstens als privé-zaak wil tolereren, maar weert uit het publieke domein.

Anders dan vaak wordt gedacht heeft de scheiding van kerk en staat met de openbare ruimte echter niets uit te staan. Het staat iedere burger vrij binnen de grenzen van de wet openbaar gestalte te geven aan zijn overtuigingen of voorkeuren (van processie tot gay-parade), of anderen dat nu prettig vinden of niet. Tolerantie is dan ook onmisbaar voor een leefbare publieke ruimte. Zo niet, dan verbleekt ze tot de treurigheid die haar steevast kenmerkt onder totalitaire regimes, waarin staat en publieke ruimte naadloos met elkaar samenvallen.

Voor de politiek ligt die relatie subtieler, maar ook daar betekent de religieuze neutraliteit van de staat niet dat godsdienst het politieke leven niet zou mogen inspireren. Ze ontneemt religieuze organisaties alleen het recht op een bijzondere stem in het staatsbestel, buiten de controle van de democratische organen om. Of, zoals GroenLinks-afgevaardigde Farah Karimi in dezelfde bundel zegt: `De scheiding van kerk en staat is een voorwaarde om de religie een plek te kunnen geven in de politiek.' Burgers mogen zich, met andere woorden, evenzeer op religieuze grondslag politiek organiseren als regeringen het recht hebben bisschoppen, rabbi's of dominees te consulteren, zoals ze dat ook met werkgeversorganisaties of de ANWB doen.

Dat godsdienst in de politiek een rol te spelen heeft, valt ook volgens de Amerikaanse prediker Jim Wallis – stichter van de religieuze Sojourners-beweging die zich vooral voor de armen inzet – niet te betwijfelen. De vraag is alleen hoe, en in dat opzicht heeft hij veel aan te merken op de Amerikaanse politieke partijen. Al maandenlang staat zijn manifest God's Politics in de VS op de bestsellerlijsten en velen lijken zich te herkennen in zijn kritische ondertitel: `Waarom rechts het fout heeft en links het niet vat'.

Beide kampen vergissing zich, aldus Wallis, omdat elk op zijn eigen manier de godsdienst probeert te privatiseren. De democraten zien voor de religie nauwelijks een openbare rol weggelegd en veronachtzamen daardoor een belangrijke inspiratiebron voor hun vooruitstrevende ideeën. Minstens zo belangrijk is echter dat ze daarmee de aansluiting verspelen bij een deel van het kiezerspubliek, dat zich in de Verenigde Staten nu eenmaal gemakkelijk op zijn religiositeit laat aanspreken.

De republikeinen meten hun godsdienstigheid, naar het bezielende voorbeeld van president Bush zelf, daarentegen breed uit, maar privatiseren op hun beurt de inhoud van het geloof. Daardoor blijft er van de bijbelse boodschap weinig anders over dan een enggeestig moralisme, dat meent met de afwijzing van het homohuwelijk en abortus de godsdienstige plichten wel afdoende politiek te hebben vervuld.

Hoewel Wallis zelf, als overtuigd verdediger van gezinswaarden, met die afwijzing instemt, betreurt hij de gebetenheid waarmee deze kwesties tot speerpunten zijn gemaakt van een rechts-christelijk offensief. Tegelijk – en dat is ernstiger – werd daarmee de aandacht afgeleid van een minstens zo belangrijk deel van de bijbelse boodschap, die Wallis in profetische woorden onvermoeibaar – en op den duur nogal monotoon – over het voetlicht brengt. `De armen,' zo schrijft hij, `zijn het belangrijkste ,,politieke'' vraagstuk in de Bijbel'. Daarom zijn begrotingen morele documenten en moet bij elke sociale en economische beslissing de `Godsvraag' worden gesteld: `hoe komen de kinderen ervan af?'

Vanuit die overtuiging levert Wallis in God's Politics striemende kritiek op het economische beleid van president Bush en diens religieus-nationalistische internationale politiek. Religie, zo wordt hij niet moe te beklemtonen, `is persoonlijk maar nooit privé'. Ze is altijd bekommerd om het gemeenschappelijk belang en stelt vanaf de oudtestamentische profeten diegenen aan de kaak die terwille van eigen gewin daarmee een loopje nemen. Lees: Enron, Halliburton en de amusementsindustrie die met soft-porno en reality-tv gaandeweg het moreel ondermijnt van de Amerikaanse burgers – om te beginnen de kinderen onder hen.

Wallis' `Godsvraag' leidt zo tot een politiek standpunt dat moeilijk in een hokje is onder te brengen. De Democraten zijn volgens hem zo gefixeerd op de rechten van het individu dat ze vergeten dat daarbij altijd een belangrijke sociale component in het spel is. Het recht op kinderen, op gemakkelijke echtscheiding, op exclusieve zelfbeschikking leidt tot een ontbinding van de gezinsstructuur die het cement van de samenleving vormt.

De voornaamste slachtoffers daarvan zijn de kinderen, die in hun verwarring ook nog eens de aanwezigheid moeten ontberen van hun ouders. Opgeëist door een arbeidsproces dat een bijna onbegrensd beslag op hen legt, zijn zíj op hun beurt de slachtoffers van een economisch liberalisme waarvan het huidige bewind alle sluizen heeft opengezet.

Voor de Europese lezer, die instemmend knikt bij Wallis' kritiek op de religieuze politiek van de regering-Bush, klinkt zijn moralisme op het persoonlijk vlak wat ongemakkelijk. Toch heeft hij onmiskenbaar gelijk in zijn afkeer van wat in Nederland inmiddels op sperma-shows en reality-bevallingen dreigt uit te lopen. Nog minder bon ton is zijn pleidooi voor ongebroken vader-en-moedergezinnen, dat ook hier al snel stuit op een eenzijdige aandacht voor individuele rechten. In zoverre vooral de linkse partijen zich als verdedigers daarvan hebben opgeworpen, vallen ook zij – van oudsher de verdedigers van het sociale – onder zijn kritiek zich op het vlak van de `gezinswaarden' door rechts de kaas van het brood te laten eten.

Wallis' politieke programma is ook zonder godsdienst uitvoerbaar. Maar wanneer deze – zoals in de VS – een gegeven is, kan men haar maar beter aanspreken in haar vermogen tot sociale rechtvaardigheid en aandacht voor de zwaksten. Ook in Europa is de religie nog lang niet op sterven na dood en sommigen nemen zelfs een duidelijke opleving waar. Tegen die achtergrond laat God's Politics de bemoedigende boodschap horen dat de godsdienst allerminst is gedoemd tot de private benauwenis en publieke hardvochtigheid van het Amerikaanse religieus-nationalisme of tot de anachronismen van een fundamentalistische bigotterie.

Jim Wallis: God's Politics. Why the Right Gets It Wrong and the Left Doesn't Get It. Harper San Francisco, 384 blz. €29,69

Michiel Hegener: Vrijheid van godsdienst. Contact, 208 blz. €16,90

Bart Top: Religie en verdraagzaamheid. Tien gesprekken over tolerantie in een extreme tijd. Ten Have, 142 blz. €14,90

    • Ger Groot