Erkennen wat je werkelijk bent

De Leesclub (www.nrc.nl/leesclub) discussieert de komende vier weken over `Het land van herkomst'. Een magistrale roman waarin steeds iets nieuws valt te ontdekken, en die nog altijd lessen voor het heden bevat.

Ik heb het al horen verzuchten: `De Leesclub gaat Het land van herkomst van Du Perron behandelen, dat dikke gedateerde boek uit 1935 over Indië en die intellectuele discussies over politiek – nou ik begin er niet aan'. Fout gedacht! Begin er vooral wél aan. Het is een boek waar je je leven lang iets aan hebt en dat zich bij uitstek leent voor herlezing. Steeds opnieuw geeft deze roman aanleiding tot zelfreflectie van het soort waarop hoofdpersoon Arthur Ducroo alias E. du Perron het patent heeft en iedere keer haal je er iets anders uit.

Ik heb Het land van herkomst in 1970 voor het eerst gelezen tijdens mijn studie Nederlands. Op school had ik geleerd dat Du Perron een Indische achtergrond had en dat Het land van herkomst een autobiografische sleutelroman roman was, waarin de schrijver zijn Indische jeugd reconstrueerde. Ik hoopte door dat boek het lot van mijn eigen uit Nederlands-Indië `verdreven' familie en van zovele andere ontheemden beter te begrijpen. Of dat ook het doel van Du Perron was, betwijfel ik. Voor alles wilde hij met zijn autobiografie zichzelf verklaren aan zijn geliefde Elisabeth de Roos, in het boek optredend onder de naam Jane. Maar toch. Al vóór het verschijnen van Het land van herkomst leverde de roman het type begrip op waarnaar ik zocht. Op pagina 290 doet Arthur Ducroo verslag van een gesprek met zijn vriend Wijdenes, voor wie Menno ter Braak model stond. Wijdenes vertelt dat hij de passages over Ducroos Indische jeugd heeft verslonden. `Het is of ik Indië nu eerst goed voor me zie; in de andere boeken was het me altijd te mooi. En ik begrijp je ouders nu ook door en door, hun noodlot... hier in Europa.'

Uit Het land van herkomst komt niet alleen naar voren hoe de koloniale maatschappij Du Perrons ouders (zijn vader pleegde zelfmoord, zijn moeder kon tot aan haar dood niet aarden in Europa) heeft gestempeld, maar ook hoe Eddy du Perron er zelf door is gevormd. Lees de beroemde passage in het hoofdstuk `Laatste tijd op Balekambang': `Ik heb als alle andere indiese jongens later zelf inlanders geslagen: vooral sadokoetsiers heb ik verscheidene malen met de vuist in de rug gedwongen om te rijden, als zij niet wilden' (blz. 179). Dergelijke bekentenissen bevestigden mij in mijn toen nogal ongenuanceerde oordeel dat op een enkeling als Multatuli na alle kolonialen per definitie fout waren geweest.

Het land van herkomst heeft mij bij eerste lezing vooral getroffen door de eerlijkheid ervan, door Du Perrons dwangmatige behoefte aan, en zijn vermogen tot zelfreflectie, waarmee hij zijn tijd ver vooruit was. Bij herlezing nu is me vooral opgevallen hoe knap de structuur van het boek in elkaar zit, met die afwisselende Indië- en Europa passages. En ik vind, in tegenstelling tot hoe ik er in 1970 over dacht, de Europese gedeeltes over Ducroos gesprekken met onder anderen Heverlé en Wijdenes interessanter dan de Indische hoofdstukken.

Toen ik het boek voor het eerst las, wist ik al wel dat Heverlé voor André Malraux stond en Wijdenes voor Ter Braak, maar ik achtte met alle wijsheid die ik toen in pacht dacht te hebben hun politieke discussies volledig achterhaald. Dat ze tegen het fascisme kozen vond ik als linkse studente niet meer dan vanzelfsprekend, dat Malraux steeds meer opschoof naar het communisme leek me voor de hand liggend, en dat Du Perron dit niet kon opbrengen, omdat hij nu eenmaal een koloniaal bourgeois zoontje was en daarom koos voor het individualisme, beschouwde ik als een onvermijdelijke zwakte, als naïviteit en zelfs als lafheid.

Nu denk ik veel beter te begrijpen waar Du Perron mee worstelde. In het slothoofdstuk `Voor pessimisten' geeft hij een gesprek weer tussen Heverlé en Ducroo. Daaruit blijkt dat Ducroo niet kan kiezen voor het communisme, omdat hij als de dood is voor elke vorm van absolutisme en elke vorm van dictatuur haat. Heverlé antwoordt dat angst voor een communistische dictatuur niet aan de orde is, en dat het er nu om gaat het absolutisme van de fascisten te bestrijden in bondgenootschap met de communisten. Daarop zegt Ducroo iets wezenlijks: `Ik wil er mijn moed in stellen om buiten dit alles te blijven, zo lang ik kan. Om te erkennen dat ik maar een intellectueel ben, als dat zo is, maar dat ik niet anders kan zijn dan wat ik werkelik ben, niets anders kan doen dan wat ik werkelik kan' (p. 431).

De discussie gaat nog een tijdje door. Het blijkt Ducroo wel degelijk moeite te kosten om zich niet bij de communisten aan te sluiten omdat `ik óók gevoel heb voor de marxistische opvatting dat je er toch nooit buiten staat. Omdat ik óók niet gelukkig kan leven in het idee dat ik een kleine vuilik van een kleine burger ben.' Uiteindelijk zegt Héverlé dat er – als Ducroo weigert een keuze te maken – er maar één alternatief is: `bedenken dat je deel uitmaakt van een stervende beschaving en rustig proberen aan te zien hoe dit sterven zich voltrekt.'

Dit gesprek werd in februari 1934 gevoerd in Parijs, waar Du Perron toen woonde. In Duitsland waren sinds een jaar de nazi's aan de macht. Een maand terug was Rinus van der Lubbe onthoofd wegens het in brand steken van de Rijksdag. In Parijs dreigde een fascistische staatsgreep als gevolg van het Stavisky-schandaal waarin een joodse oplichter centraal stond die ervan verdacht werd politici, rechters en andere hoog geplaatsten te hebben omgekocht.

Stavisky pleegde zelfmoord voordat hij de namen kon noemen van de corrupte gezagsdragers. Niemand geloofde in die zelfmoord, links en rechts vermoedden een politieke moord om de affaire in de doofpot te doen belanden. Het schandaal was koren op de molen van de fascistische en antisemitische Action Française die iedere avond demonstraties organiseerde om de democratie ten val te brengen. Ook de communisten organiseerden massale demonstraties. Er vielen doden en gewonden. Uiteindelijk bood de net gevormde regering van Daladier haar ontslag aan. Ervoor in de plaats kwam een rechtse regering onder de socialistenhater Gaston Doumerge. Pétain, de maarschalk uit de Eerste Wereldoorlog en collaborateur in de Tweede, werd minister van oorlog.

Malraux trad tijdens de bloedige massabijeenkomsten die Parijs op zijn kop zetten, op als spreker voor de communisten, Du Perron was erbij als correspondent van het Nederlandse dagblad Het Vaderland. Er was sprake van een hectische, politiek uiterst gevaarlijke crisistoestand, die snel escaleerde en waarin mensen keuzes moesten maken waarvan ze de gevolgen niet konden overzien. Het was een volstrekt nieuwe situatie waarin ze ongewild terecht waren gekomen. Achteraf is het misschien makkelijk te oordelen over de vraag wie toen de juiste keuzes hebben gemaakt. Alhoewel, we zijn nu nog altijd niet uitgepraat over wat goed en fout was in de jaren dertig en veertig.

Ik moest bij herlezing van Het land van herkomst en de discussies tussen Ducroo en Heverlé voortdurend denken aan wat ons sinds 11 september 2001, de oorlog tegen Irak en in Nederland de opkomst van en moord op Pim Fortuyn en vervolgens Theo van Gogh is overkomen. Volgens mij is onze situatie niet te vergelijken met die van de jaren dertig, zoals Geert Mak suggereert in zijn veel besproken pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid. De enige vergelijking die we kunnen maken is dat de situatie waarin wij nu verkeren evenals voor Du Perron en Malraux indertijd, volstrekt nieuw is, zonder historische precedenten. En het verbaast me dan ook nauwelijks dat we collectief in verwarring zijn en niet goed weten wat te doen om verdere catastrofes te voorkomen zonder in onherstelbare fouten te vervallen of heilloze bondgenootschappen aan te gaan.

Hoe te kiezen? Moet je altijd willen kiezen?

Op één punt was de kosmopolitische intellectueel Du Perron uitgesproken: hij was niet alleen een tegenstander van absolutisme, maar ook van collectivisme dat in tijden van maatschappelijke verwarring altijd weer opgeld doet, zoals nu religie, nationalisme en patriottisme. Veel plezier heb ik bij herlezing van Het Land van herkomst in de nieuwste editie beleefd aan de door Du Perron aangebrachte verklarende noten, die in mijn eerste druk ontbreken. Bij een opmerking van Ducroo dat hij alleen oorlog wil voeren naast zijn vrienden en voor iedere andere oorlog de moed zou willen hebben te bedanken (p. 432), tekent hij het volgende aan. `Geschreven [...] uit protest tegen de kollektieve hypokrisie van deze tijd die alle burgers aan het ijlen brengt over `dienen': het fascisme, het kommunisme, de katholieken, als het maar een gemeenschap is.' (p.493)

De probleemstelling in Het land van herkomst – hoe te kiezen – is van alle tijden en blijft daarom actueel. Mensen die nu nadenken over de problemen van onze tijd en hun positie daarin kunnen zich laten inspireren door Du Perron die zichzelf voortdurend vragen bleef stellen, de moed had om te twijfelen en aan die twijfel in zijn werk uitdrukking gaf. Hij deed als intellectueel wat hij kon, zonder zich voor enig karretje te laten spannen.

Volgende week in de Leesclub: Kester Freriks over Indië in Het land van herkomst. Discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub