En toch moet het ergens over gaan

Het lijkt erop dat de productieve Vlaamse schrijfster Kristien Hemmerechts met haar roman De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze in een soort vagevuur is beland. Wat mag een schrijver? Wat is fictie, wat waarheid? Is de romancier uiteindelijk een parasiet die zich niet alleen voedt met andermans werkelijkheid, maar daarbij die ander ook aantast of verminkt? Dat is het type vragen waarmee Hemmerechts zichzelf pijnigt. Het nieuwe boek is een roman over schrijverschap en zelfkwelling die, bij wijze van literaire loutering, een wending in haar oeuvre zou kunnen inluiden.

Het begint al met de vraag of het mogelijk is waar gebeurde geschiedenissen te beschrijven. De titel van de roman legt dat probleem – als het voor fictieschrijvers al een probleem is – er meteen dik bovenop. De tweelingen Victor en Clara Rooze, geboren in 1890, hadden een incestueuze relatie. In 1924 kwam Victor om bij een val van een berg in Marche-les-Dames. Tien jaar later zou koning Albert op dezelfde plaats op dezelfde wijze aan zijn einde komen. Over hem ging het verhaal dat hij werd vermoord. Misschien is dat met Victor ook gebeurd, maar mogelijk heeft hij zelfmoord gepleegd. Het is namelijk aannemelijk dat Clara zwanger was van Victor op het moment dat deze de dood vond.

De incestueuze tweeling had een oudere zus, Eliza Rooze (1882-1971), een beroemd dichteres, die als enige vrouw van haar generatie is opgenomen in de Vlaamse literatuurgeschiedenissen en bloemlezingen. In een enkel gedicht heeft deze Elize gerefereerd aan `Clara's pijn', maar dat is alleen bekend aan de nabestaanden. Buiten de schatrijke Antwerpse familie Rooze en twee intimi weet geen mens van dit goed bewaarde geheim.

Getob

De ikfiguur in het boek, een schrijfster in spe en duidelijk op zoek naar een onderwerp voor een roman, is één van de twee intimi die het familiegeheim van de Roozes kennen. Zij is de aangewezen persoon om, vroeg of laat, de geschiedenis van Clara en Victor te boek te stellen. Toch weet zij van meet af aan dat ze daarvan zal afzien om het vertrouwen van haar vrienden niet te beschamen.

De andere vertrouweling van de familie heet Jimmy, vriend van de zoon des huizes, Do Rooze. Hij kent de dilemma's van het schrijverschap niet. Zonder scrupules besluit hij het familiedrama op te schrijven, wat hem duur komt te staan. Do zegt hem de vriendschap op, hij wordt verstoten uit de villa van de Roozes en weggezet als een `parasiet'. `Alle schrijvers zijn parasieten', bijt Do hem toe en daar begint het getob van de vertellende ikfiguur.

Als gearriveerde schrijfster blikt zij in de hete zomer van 2004 terug op de ruzie die ze als twintigjarige heeft beleefd als aangenomen dochter van de familie Rooze. Ze zit vast in een roman waarvan ze weet dat ze die nooit zal kunnen voltooien en betwijfelt of ze überhaupt nog ooit zal kunnen schrijven. Als het waar is dat schrijvers parasieten zijn, uitvreters die hun omgeving plunderen ter meerdere eer en glorie van zichzelf, dan hoeft het voor haar niet meer.

De geschiedenis van Victor en Clara is eigenlijk niet zo geschikt om dit schrijversprobleem aan op te hangen. De ikfiguur schrijft immers fictie en is geen biograaf zoals bijvoorbeeld de hoofdpersoon van Tommy Wieringa's roman Alles over Tristan, waar Hemmerechts zwaar op lijkt te leunen. Ook in deze drie jaar geleden verschenen roman stuit de vertellende ikfiguur op een liefdesaffaire tussen een broer en zus. Hij moet ten behoeve van het kind dat uit deze relatie is voortgekomen afzien van publicatie. Maar fictie, zoals bedreven door Hemmerechts' vertelster, biedt zoveel mogelijkheden tot mystificatie, verschuiving, verhulling, verdraaiing dat de mogelijkheden om over `waar gebeurde' geschiedenis te schrijven zonder afbreuk te doen aan vertrouwen of vriendschap vrijwel onbeperkt zijn.

De schrijfster in De waar gebeurde geschiedenis erkent dit onderscheid tussen fictie en non-fictie niet. Peinzend over het conflict tussen Do en Jimmy over schrijvende parasieten refereert ze aan ruzies tussen James Joyce en diens vrouw Nora, die model stond voor Molly Bloom in Ulysses. Ze bedenkt dat Nora ooit tegen Joyce (Jim) moet hebben geroepen: `Ik wil niet dat je nog over mij schrijft! Ik eis dat je elke verwijzing naar mij nu meteen schrapt. Ik wil niet dat ook maar iemand mij in die personages van jou kan herkennen. [...] Geen grotere parasieten dan schrijvers.'

Probleem voor de schrijfster die in deze roman fungeert als Hemmerechts' alter ego, is dat ze behalve datgene waarover ze niet kán schrijven geen onderwerpen heeft. Niet voor niets is ze geobsedeerd door haar naderende menopauze. Ze is bang voor lichamelijke en geestelijke onvruchtbaarheid en schreeuwt dat in iedere alinea uit. Naar aanleiding van een uitweiding over Virginia Woolf, die er naar streefde een taal te ontwerpen om over een oneindige hoeveelheid impressies te kunnen schrijven, denkt ze: `Zoals de meeste schrijvers had ik herhaaldelijk verklaard dat een tekst het in de eerste plaats van zijn stijl moest hebben en dat de vorm alles was. Dat nam niet weg dat je nog altijd over iets moest schrijven.'

Docente

Tot nu toe heeft Kristien Hemmerechts in haar verhalen en romans altijd over `iets' geschreven, hoe fragmentarisch en postmodern haar werk bij tijd en wijle ook was. De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze gaat behalve over het getob van een schrijfster die geen onderwerp heeft eigenlijk nergens over. Victor en Clara Rooze zijn onuitgewerkte, instrumentele personages aan wie een vormeloze reeks schrijversdilemma's is opgehangen.

De ikfiguur in deze roman is evenals Hemmerechts behalve schrijfster ook docente literatuur en dus verbaast het niet dat ze bespiegelingen over het schrijverschap lardeert met beschouwingen over auteurs als Joyce, Woolf, Oz, Coetzee, Tsjechov, Lampo en Claus, die de roman een essayistische inslag geven. Over Joyce en Woolf, net als de fictieve dichteres Eliza Rooze geboren in 1882, merkt ze op dat ze de `papa en de mama van het modernisme' zijn. Wellicht beschouwt zij zichzelf als hun onechte kind dat om erkenning vraagt. Aan het einde van de roman duikt er nog zo'n kind op: de zoon van Victor en Clara Rooze die door adoptiefouders is grootgebracht maar altijd heeft geweten wie zijn biologische ouders waren. `Hij was een echt kind, maar hij was niet echt hún kind. En later leerde hij dat hij zelfs een ,,onecht kind'' was. Dat vond hij een grap, want aan zijn eigen echtheid twijfelde hij niet. Wie ook wat beweerde, wie ook welke waarheid censureerde, hij bestond echt.'

Voor de ikfiguur is dat laatste, `echt bestaan' in plaats van in fictie, in deze fase van haar leven, voorafgaand aan de menopauze, ook het enige wat telt. Echt bestaan doet ze alleen in de armen van een man van vlees en bloed. Een man die de naam Rooze draagt, een man met wie ze is opgegroeid en die haar dichter bij Clara en Victor brengt dan in fictie mogelijk was geweest. Een man tegen wie ze de eerste nacht zegt: `Dit voelt een beetje incestueus'. Een man die antwoordt: `Ik heb jou nooit als zus beschouwd. Maar indien we broer en zus waren, zouden we gewoon de familietraditie voortzetten.'

Had gekund, het zou een betere roman hebben opgeleverd. Wat Hemmerechts uit het oog verliest bij haar beschouwingen over de dilemma's van grote schrijvers is dat zij vormen hebben gevonden om pijn, geheimen en taboes te beschrijven en aannemelijk te maken. Maar de vraag waar haar hoofdpersoon over tobt, of een gebeurtenis echt is, gedeeltelijk waar is of volledig fictioneel, doet in een roman niet ter zake. Deze kwelling van de schrijver, hoe bloemrijk en erudiet ook verwoord, loutert de lezer niet.

Kristien Hemmerechts: De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze. Atlas, 207 blz. €17,90