Een kus van W.F. Hermans

Meeliften op de faam van een grote beroemdheid is in de reclame een beproefd recept. Bierbrouwer Grolsch gebruikte onlangs de beeltenis van Marilyn Monroe, de blondste vrouw aller tijden, om de komst van het nieuwe bier `Premium Blonde' in te luiden. `Maar laten we haar nooit vergeten', stond er zonder enige ironie onder.

Ook in de literatuur wordt dit procédé toegepast. Men neemt een beroemd boek als basis, vermengt het met allerlei particuliere ditjes en datjes, en hoopt dat de faam van het oorspronkelijke werk op het eindresultaat afstraalt. Zo'n boek is De Noorse liefde van W.F. Hermans van wetenschapsjournaliste Karin Anema. Zij heeft Nooit meer slapen van Hermans gelezen, is door het boek geïntrigeerd geraakt, en besluit in Hermans' sporen een voettocht door de Noorse provincie Finnmark te maken. Nooit meer slapen was de literaire neerslag van een wetenschappelijke expeditie die Hermans in 1961 als fysisch geograaf had ondernomen.

Anema's reisverslag begint, zonder een verklaring over het doel van haar reis, direct in Lapland. `Onder een dubbele regenboog, met de middernachtzon in mijn achteruitkijkspiegel, rijd ik naar Skoganvarre. Links vang ik een glimp op van een fjord en van vissers die met hoge laarzen in de golven staan onder een zwarte lucht.' Deze korte passage bevat valt al veel kenmerken van het boek. De consequent volgehouden ik-vorm, die de aandacht vestigt op de auteur in plaats van op de wereld. De clichématige, opgedirkte stijl met woorden als `een glimp opvangen' en `badend in het licht'. Maar bovenal heeft ze moeite met het doseren van informatie, waardoor de lezer zich door een zee van nutteloos geklep moet worstelen. `Ik luister verstrooid. Gisteravond was ik nog op doorreis in Tromsø'.

De beschrijvingen van landschappen, mensen, rendierkuddes en natte voeten worden afgewisseld met speculaties en bespiegelingen over Hermans en de hoofdpersonen in Nooit meer slapen. `Ik stel me voor hoe Hermans hier heeft gelopen.' `Finnmark krijgt allerlei kleurschakeringen, omdat je weet dat Hermans hier heeft gelopen.' Sommige zinnen lijken zo uit het opstel van een middelbare scholier te komen. `Ik vraag me af waarom de dood van Arne zo weinig indruk op Alfred maakte [...] Had hij zich dan niet gehecht aan Arne?'

De reis leidt uiteindelijk langs de toenmalige expeditieleden, voor zover nog in leven. Helaas leveren de gesprekken met hen weinig interessants op. Hoogtepunt is de ontmoeting met een zekere Inger Marie. Zij was ten tijde van de expeditie vijftien jaar oud en Hermans had tijdens een busrit enkele uren met haar gepraat. Zij had zo'n indruk op hem gemaakt, dat hij in 1992 via een oproep in een lokaal dagblad weer contact met haar zocht. Pas dan, als Anema opzij gaat en Inger Marie aan het woord laat, wordt De Noorse liefde van Hermans nog even interessant. Al is dit maar heel betrekkelijk, want `liefde' is wel een erg groot woord voor een eenmalige ontmoeting die besloten werd met een afscheidskus. Wat heeft Hermans bewogen om na 31 jaar contact te zoeken met een vrouw die hij slechts een paar uur heeft gesproken, en om haar twee brieven te schrijven waarin hij zich – volgens Inger Marie – over zijn eenzaamheid beklaagt. De brieven zelf krijgt Anema niet te lezen, Inger Marie wil de inhoud ervan meenemen in haar graf. Het levert wel een tragisch beeld van Hermans op: de man die altijd zoveel mensen op afstand hield, aan het eind van zijn leven, hunkerend naar contact.

Karin Anema: De Noorse liefde van Hermans. Atlas, 116 blz. €16,50