De looverlanen des mijmerens

Wat is poëzie? Ik zou het niet weten. Als ik erover probeer na te denken, moet ik al gauw denken aan de Drachenfels. Vroeger moest je, als je Nederlands studeerde, het Gesprek op den Drachenfels lezen. Dat was een niet eens zo heel dik boek, uit 1835, van Jacob Geel. Niemand las het ooit, maar voor de neerlandicus in opleiding was het blijkbaar onmisbaar. Vraag mij niet waarom. En vraag me dus ook niet waar het precies over gaat, want dat weet ik niet meer. Er was geen doorkomen aan, dat weet ik nog wel. Twee heertjes gingen een wandeling maken, de berg de Drachenfels op, en voerden daarbij een stijve dialoog over kunstopvattingen. Over romantiek, of over classicisme, of over beide, en hoe dat verder moest, of niet. Dorre tweespraak.

Het enige dat ik me ervan herinner is dat een van de twee ergens halverwege de wandeling ging stilstaan, met zijn rug naar het uitzicht, zich vervolgens voorover boog en met zijn hoofd tussen zijn knieën datzelfde uitzicht, maar dan dus op de kop, in zich opnam. Het was, meen ik, een door schilders beproefde methode om een landschap te keuren. Ik weet niet eens meer of hij nu werkelijk zelf die houding aannam, of er alleen maar over vertelde, maar na al het voorafgaande zouteloze kunstgeneuzel had dit komische gebaar in ieder geval een bevrijdend effect. Ik probeerde het zelf binnenskamers ook maar meteen uit, maar ik zag nog niet in welk voordeel een schilder of schrijver ermee zou kunnen behalen. Het leek allemaal serieus bedoeld, toch kon ik er alleen maar een daad van balorigheid in zien, of een inval van gekte.

Het had het effect van een klapsigaar in een ellenlang kamerdebat, zoiets. Nooduitgang, ontsnapping, opluchting. Ik zou wel willen denken: een flits van poëzie, in een zich moeizaam voortslepend langdradig betoog. Een literair-historisch belangrijke verhandeling teruggebracht tot een gril, een frappe, een gebaar dat alles op zijn kop zet, en dat nog steeds niet goed te begrijpen is – dat is een geval van poëzie. Nu ik het hier zo opschrijf begin ik te twijfelen of ik het niet toch indertijd, uit wanhoop, zelf verzonnen heb, maar ook dan, en juist dan, lijkt me dat een typisch geval van poëzie.

Poëzie is overal te vinden, denk ik vaak – ook in stoffig negentiende-eeuws poëtica-geredeneer, zoals er omgekeerd veel zouteloos proza te vinden is in de meest experimenteel ogende poëzie. Met de traditionele indeling tussen poëzie en proza, meestal gebaseerd op zoiets als rijm of regelafbreking, komen we er al lang niet meer.

S. Vestdijk heeft meer dan zestig jaar geleden, in De glanzende kiemcel, al overtuigend uiteengezet dat het verschil vooral in tendensen zit: poëzie neigt, heel in het algemeen, meer dan proza, naar concentratie, isolatie, herhaling, vergelijking, mogelijkheid, tegenstrijdigheid en paradox, maar dat wil niet zeggen dat die typisch dichterlijke eigenschappen niet ook in een roman, een krant, een gebruiksaanwijzing of een grap aanwezig kunnen zijn. Thomas Rosenboom is in mijn ogen een van onze grootste dichters.

Vroeger deden ze ook niet zo moeilijk over wat nu precies poëzie en wat proza is. Ik wandelde een week lang door de Rozentuin van de Perzische dichter Saadi, in 1258 geschreven, in 1654 al in het Nederlands vertaald, en in 1997 opnieuw, door J.T.P. de Bruijn. Het is een bont geheel van verhalen, anekdotes, sprookjes, overpeinzingen, die voortdurend indikken tot poëzie-achtige samenvattingen van het voorafgaande, of rijmende illustraties van juist het tegenovergestelde, of tot een puntig aforisme, om daarna weer uit te dijen tot een nieuw verhaal, of preek, in doorlopende prozazinnen. Ze vloeien in elkaar over, als een spier die zich samentrekt en weer ontspant, of als een levend organisme dat in- en uitademt. Proza en poëzie verschillen niet zo veel van elkaar, ze liggen eerder in elkaars verlengde.

In zijn inleiding vertelt Saadi het mooie verhaal van een mysticus die zich een tijdje in meditatie had teruggetrokken. Toen hij uit zijn afzondering terugkeerde, vroeg een van zijn vrienden hem wat hij als geschenk had meegenomen uit de tuin die hij had bezocht. De mysticus verklaarde: `Ik was van plan, wanneer ik bij de rozenstruik zou komen, de schoot van mijn kleed te vullen met een geschenk voor mijn makkers. Toen ik die plek bereikte, maakte de geur van rozen mij zo dronken dat de zoom uit mijn handen gleed.'

Daar moeten de makkers het dan maar mee doen: geen geschenk. Maar als ze hun vriend de mysticus wat beter zouden kennen, zouden ze er vrede mee kunnen hebben. Die rozentuin was vermoedelijk een geestelijke rozentuin, en de rozenstruik een hogere goddelijke instantie, van wie de mysticus en zijn makkers wel weten dat er in gewone mensentaal weinig over mee te delen valt. Men kan, als men dicht bij de godheid is, wat rozen verzamelen in de schoot van zijn kleed, zoals de wijze mysticus deed, en hopen zo iets van het Hogere mee terug te nemen naar het dagelijkse leven – maar al snel zal men, bedwelmd door de geur van het goddelijke, de geestelijke buit weer los moeten laten. Mooi paradoxaal gegeven voor een hogere zinzoeker: er is wel een boodschap, maar die kan alleen maar geformuleerd worden in de nabijheid van het Hogere.

Het zou ook een mooi paradoxaal gegeven voor een dichter kunnen zijn, op zoek naar het zeggen van het onzegbare, zich troostend met vluchtige waarheden. Het duurde nog ruim tweehonderd bladzijden Rozentuin van Saadi voordat ik in het nawoord van De Bruijn las dat de dichter J.H. Leopold omstreeks 1916 deze prozapassage uit een Engelse vertaling had gebruikt voor een dichterlijke bewerking. In het gedicht komen de makkers en hun mystieke vriend opnieuw aan het woord, maar nu spreken zij Leopoldiaans. De rozentuin is hier nu `de looverlaan des mijmerens'. De vervoering van de meditatie is `de ontloken pracht van uw extase'. De rozen worden niet bewaard in de schoot van mijn kleed, maar in `mijn tabberdslippen':

Wat brengt gij mede uit de looverlanen

des mijmerens, uit de ontloken pracht

van uw extase en de opgegane

hemelsche bloei, wat hebt gij meegebracht? –

Ik had met rozen, met een rooden buit

van geurenden gevuld mijn tabberdslippen,

maar zoo bedwelmend ademden zij uit:

ik liet de zoomen uit mijn handen glippen.

Dit is wat je noemt hoog spreken. IJle taal, alles kringelend geformuleerd en zweverig gezegd. Als je wil kan je er de rozengeur van het hogere al in ruiken. En dan is, in de slotregel, de teleurstelling nog net iets groter: dat de mysticus het hogere moet laten glippen en terug moet keren met lege handen, ook als hij spreekt in poëzie.

Saadi: De Rozentuin. Uit het Perzisch vertaald en van aantekeningen en een nawoord voorzien door J.T.P. de Bruijn. Tweede druk. Bulaaq. 272 blz. €17,50

    • Guus Middag