De beul komt eraan te pas

In november 2002 debuteerde Daniël Dee tegelijkertijd met Sieger M. Geertsma als dichter bij uitgeverij Passage in Groningen. Wat het tweetal in elk geval deelde was het bonkende ritme van vaak jolige zwartgalligheid, met een sterke inhoudelijke voorkeur voor de zelfkant van het bestaan. Beide dichters verschenen bovendien regelmatig op het podium. Maar er waren ook grote verschillen. De opvallendste daarvan was, dat Dee een veel zorgvuldiger en beheerster taalgebruik toonde dan Geertsma. Ik was dan ook verbaasd dat de jury van de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie in 2003 de bundel van Geertsma nomineerde, en niet die van Dee.

Schetsjes van onvermogen heette de debuutbundel van Daniël Dee. Met dat onvermogen viel het nogal mee. De dichter bespeelde alle registers van breedsprakigheid, en dat deed hij vaardig, zeker voor een debutant. Net als Geertsma was Dee niet afkerig van `sampling', het oppikken van zinnen, woorden of letters uit andermans werk en een schatplichtig gebruik daarvan in de eigen teksten. Met die schatplichtigheid nam Dee het overigens, zoals de doorsnee Internet-telg, niet nauw. `Die frasen kunnen overal vandaan zijn gekomen', schreef hij in de `Verantwoording' van zijn eerste bundel: `uit de reclame, van waarschuwingsborden, uit romans, uit andere gedichten, uit liedteksten (al dan niet vertaald uit het Engels), enzovoort.'

De dichtersstal van Passage lijkt inmiddels leeggelopen. Ook Dees nieuwe bundel verscheen niet bij deze Groningse uitgever, maar bij De Geus in Breda. Vierendeel is de titel, en die is zwartgallig bedoeld. Het openingsvers van de bundel spreekt over de `ontkenningstaal', het `woedesnoetje', het `kermlijf' en de `acceptatiestem' van een ex-geliefde:

omdat ik ooit haar betere helft was

met in het achterhoofd de geschiedkundige

kennis

dat een vierendeling soms uren duurde en de

beul

er vaak aan te pas moest komen om spieren en

pezen

door te snijden

Dat is wat je noemt afscheid nemen. Dee haalt ook in de rest van de bundel regelmatig ferm uit. `Ik tracht', zegt hij daarover zelf op de flaptekst van de bundel, `met mijn poëzie de dagelijkse burgerlijke sleur en middelmaat te doorbreken. Pas wanneer het vanzelfsprekende wegvalt openbaart zich het ware, glorieuze leven in al zijn positieve en negatieve facetten.' Dat is een lofzang op de grootspraak, die de toon in Vierendeel overheerst. Niet altijd ten goede. Soms raakt de nuance compleet uit het zicht, zoals in `Het lelijkste worstje' de vrijstaande, dus aandacht eisende regel `schapen zijn uitsluitend nuttig op de grill'. Wie de kou van het noorden kent, mist de wol hier.

Gedichten waarin Dee de toon wat dempt zijn mij liever. Dat gebeurt in de poëzie over zijn jeugd en het dorp waarin hij opgroeide, maar vooral ook in het beheerste `Levensbericht # 1':

vanochtend waren ze er weer

de ijsbloemen aan de binnenkant

van mijn slaapkamerraam

de nacht had het bloed uit mijn gezicht

getrokken

wat overbleef was een bleke aardappel

opgeplakte wenkbrauwen vastgeprikte

whiskyneus

vannacht zal ik mijn matras verslepen

naar de werkkamer waar de kachel op vier

mij met blauwe tongen likt

de melk hoef ik al niet meer in de ijskast te

plaatsen

mijn botten willen nergens ontdooien in dit

noordelijke huis

zelfs de herinnering aan warmte is hier

doodgevroren

Hier valt het vanzelfsprekende niet weg, maar vindt het herkenbare woorden zonder in de sleur of middelmaat te blijven steken. Dat staat haaks op Dees credo op de flaptekst, maar het levert wel poëzie op.

Ook in Vierendeel is Dee schatplichtig aan collega-dichters en tekstschrijvers. Ditmaal komt hij zijn plichten na; in de `Verantwoording' dankt hij tweeëntwintig personen voor de inspiratie. Het is een merkwaardige mengelmoes, van Mohammad Ali via Frank Boeijen en Bertolt Brecht naar J.A. Deelder, Willem van Iependael, Lennaert Nijgh en K. Schippers. Slechts één inspiratiebron wordt ook ter plaatse, boven het gedicht genoemd. Dat is Jan G. Elburg, wiens `gelovig soms' (het slotvers van zijn Gedichten 1950-1975) Dee bewerkte tot `Religieus af en toe'. Dat levert een aardige, maar ook wat plichtmatige variant op. Dee kent ongetwijfeld ook Elburgs `contravormen naar 5 oostakkerse gedichten van hugo claus'. Die reeks had hem tot een contravorm van `gelovig soms' kunnen verleiden. Dan zou hij hetzelfde pas werkelijk anders hebben weergegeven. Nu kwam hij niet verder dan `hetzelfde in ander woorden', en daarmee bewees hij zijn credo een magere dienst.

Vierendeel is een veel dunnere bundel dan Schetsjes van onvermogen. De poëzie zelf is ook `kaler' geworden. Dat maakt nieuwsgierig naar de ontwikkeling in Dees komende werk.

Daniël Dee: Vierendeel. De Geus, 43 blz. €13,95

    • Arie van den Berg