Beaux Arts blinkt uit in samenspel

Het vijftigjarige Beaux Arts Trio, dat dezer dagen in de serie Robeco Zomerconcerten zijn 50-jarig jubileum viert met een minifestival in het Amsterdamse Concertgebouw, kreeg gisteren alweer een cadeau. Dinsdag speelde het Beaux Arts Trio nog de wereldpremière van het Pianotrio van György Kurtág, een kort stuk met veel magische stilte. Gisteren klonk voor het eerst A slow pavane van de Engelsman Marc Anthony Turnage (1960). Met twee uitbreidingen van het trio-repertoire kon het Concertgebouw 's werelds beroemdste pianotrio geen grotere eer bewijzen.

In zijn opdrachtcompositie leverde de succesvolle Turnage meer noten voor zijn geld dan Kurtág, die binnen drie minuten klaar was. Turnage nam zeker dubbel zo lang. Zijn liefde voor de jazz van Miles Davis bleek meteen in de eerste maten. De piano zet solo een nonchalant dwalend basriedeltje in, waar elk moment een jazzy trompet boven zou kunnen inzetten.

In plaats daarvan ontspint zich echter een voorzichtig spel van basale melodiek in viool en cello, dat ook wordt opgepikt door de piano, die verder met rollende akkoorden en basloopjes begeleidt. Hoogtepunt van intensiteit, vooral ook in de uitvoering van gisteren, is een ijle vioolsolo tegen het slot.

Het sombere, regenachtige sfeertje van de compositie onderstreept dat het `pavane' van de titel meer slaat op een gevoel van blues dan op de Noord-Italiaanse renaissancedans die de pavane eigenlijk was. Maar dat was al het geval sinds Ravels Pavane pour une infante defunte.

Voor het Derde pianokwartet van Brahms en het Forellenkwintet van Schubert breidde het trio zich uit met een altviool en contrabas. De uitvoering van Brahms was rijkgeschakeerd, van geëxalteerde zangerigheid tot ingetogen weemoed. Schubert klonk op een fris, hoog tempo, met een van begin tot eind voortstuwende puls.

Pianist Menahem Pressler, die dinsdag nog wat stroef overkwam, trok dat over het algemeen prima. Meer moeite had violist Daniel Hope, die zich door enkele moeilijke passages heenkraste, of in de allerhoogste regionen vergat te intoneren. Het samenspel was echter van de allerhoogste plank, waarbij vooral opviel hoe goed de gastmusici zich in de open, directe Beaux Arts-klank voegden.

Na afloop van het concert richtte Martijn Sanders, directeur van het Concertgebouw, het woord tot de musici. Geen enkel kamermuziekensemble, zo zei hij, speelde vaker of beter in de Grote Zaal dan het Beaux Arts Trio.

De minutenlange ovatie die volgde, gold dan ook ongetwijfeld niet slechts voor één concert maar voor een leven: dat van het Trio, en in het bijzonder dat van Menahem Pressler, de oprichter, die als enige al sinds het begin in 1955 meespeelt.

Morgenavond besluit het Beaux Arts Trio het minifestival met twee tripelconcerten, uitgevoerd met de Radio Kamerfilharmonie onder leiding van Frans Brüggen.

Concert: Beaux Arts Trio met Philip Dukes, altviool, en Annika Hope-Pigorsch, contrabas. Werken van Turnage, Brahms en Schubert. Gehoord: 25/8 Concertgebouw, Amsterdam. Volgend concert: 27/8 20.15 uur met Radio Kamerfilharmonie.

    • Jochem Valkenburg