Zomers Kerstmis: Nairobi bloedt

In de Keniaanse hoofdstad is een verbod op huisdieren ingevoerd. Bewoners van sloppen helpen nu noodgedwongen hun geiten en vogels om zeep.

Geiten, kippen, schapen, eenden, kalkoenen, konijnen, ganzen en varkens. Ze worden in snel tempo geslacht in Nairobi. Het lijkt wel Kerstmis, schreef een Keniaans dagblad gisteren.

De slachtwoede is niet gerezen ter ere van de geboorte van Jezus, maar uit nood geboren. De gemeente verbood een maand geleden het houden van huisdieren in de Keniaanse hoofdstad. Deze week begon de politie toe te zien op de naleving van die nieuwe regel. Bij de eerste schoonmaakactie werden tweehonderd geiten en enkele eenden gepakt.

Susan Nyaguthie had net het mes geslepen om dit op de nek van één van haar twee geiten te zetten. Te laat, want de gemeentepolitie arriveerde en confisqueerde al haar beesten. ,,Ik heb geen geld om de boete te betalen'', smeekte ze de agenten. ,,Laat me ze slachten voor mijn kinderen.'' De boete bedraagt 9 euro.

In de sloppen van Nairobi leven behalve mensen en ratten ook veel huisdieren. Volgens het gemeentedirectief moeten al die huisdieren uit de stad verdwijnen. Daarmee bedoelt de gemeente niet de door Kenianen verachte honden maar het gekoesterde vee en gevogelte.

De hoge flatgebouwen ten spijt heeft Nairobi altijd een ruraal karakter gehouden. Sloppenwijkbewoners namen hun gewoontes mee van het platteland dat ze ontvluchtten. Geiten knabbelen plukjes gras langs de wegen of in de middenberm. Varkens snuffelen in gigantische afvalhopen en kippen lijken overal iets te kunnen wegpikken. Een arm gezin dat met behulp van een hulporganisatie een mooi stenen huis mag betrekken, ruimt de keuken in voor de geit en kookt op een petroleumpitje in de huiskamer het voedsel. In de sloppenwijk slaapt het schaap onder het bed, net zoals in de blanke wereld de hond op het bed mag liggen.

In veel andere Afrikaanse steden is het niet anders. Op het Meskelplein in het hartje van Addis Abeba komt het verkeer tot stilstand wanneer hordes schapen oversteken, in Lagos vechten olietankers met koeien om ruimte, in Kinshasa huppelen de biggetjes vrolijk in de woonwijken en in de straten van Bamako slenteren de kamelen met hun flapperende blubberlippen.

Nomaden verachten de stad en zoeken er alleen in nood hun heil. Een nomade kust een pas geboren kalf op de mond, een liefdesbetuiging die hij zijn echtgenote nooit zal toebedelen. Voor zijn vee doet hij alles. In droge tijden trekken de semi-nomadische Maasai met hun kuddes de hoofdstad binnen op zoek naar het laatste groen.

Zij aan zij met de beesten staat de automobilist in de file, in een wirwar van getoeter en geloei, van uitlaatgassen en koeienstront. De koeien trappen de gazons plat, grazen de laatste sprietjes van de bloementuinen, peuzelen bloemen op de begraafplaatsen op en trekken in hun vraatzucht de kleren van de waslijnen. Bij de rijke stadsbewoner roept dat woede op, een emotie die de trotse Maasai langs zich laat afglijden. Na de droogte ruilt hij met opgeheven hoofd de stad weer in voor zijn savanne.

De arme sloppenbewoner kan zich zo'n hooghartige houding niet permitteren. Voor hem vormen zijn paar beesten het enige bezit. De rijke is de stank van de beesten zat, evenals hun bacteriën en geblèr. Hij schrijft brieven naar de kranten en betuigt steun voor de gemeentelijke actie. De arme ontbeert die stem. Beroofd van zijn huisdieren rest hem geen andere keuze dan zich terug te trekken tussen de ratten in de sloppen, alweer een illusie armer.