Strijder in Chinese textieloorlog

Wie dezer dagen op de televisie een man geïnterviewd ziet worden tegen de achtergrond van een stapel containers in de haven, kijkt zeer waarschijnlijk naar Peter van Beek. Als het vraaggesprek gaat over de Europese crisis rond Chinees textiel, is het zelfs meer dan waarschijnlijk dat de geïnterviewde deze 51-jarige Nederlandse kledingimporteur en eurolobbyist is.

Op weg van zijn woonplaats in het Belgische Schilde naar een spoedvergadering in Brussel vertelt Van Beek over zijn betrokkenheid bij de crisis, die nu al wekenlang de in augustus gebruikelijke vakantierust in de Europese hoofdstad verstoort. De bijeenkomst is van Eurocommerce, een lobbyorgaan van de detail-, groothandel en internationale handel in Europa.

Van Beek zit in het Eurocommerce-overleg als bestuurslid van de Vivo, een Nederlandse club van importeurs van artikelen uit `het Verre Oosten'. Samen met fulltime Vivo-voorzitter David van Huiden is Van Beek nu het gezicht naar buiten toe van Vivo. Heeft hij doorgaans aan een paar uur per week voldoende voor het bestuurswerk, nu moet Van Beek naast zijn publieke optredens ook voortdurend de Vivo-leden op de hoogte houden van de jongste ontwikkelingen en de zaak van de importeurs bepleiten bij nationale en Europese autoriteiten. Zo waren de importeurs onlangs nog op bezoek bij staatssecretaris Van Gennip (EZ, buitenlandse handel).

Maar ook de zakenman Van Beek heeft te maken met de gevolgen van de Europese quota voor de invoer van tien soorten textiel uit China, die tot woede van de importeurs half juli werden ingesteld. In het geval van Van Beeks in Nieuwegein gevestigde bedrijf Life-Line Bemontex gaat het om 1.050 truien die vastzitten bij de douane. Ook zullen zesduizend broeken die in China zijn besteld wegens het volgelopen broekenquotum nooit worden gemaakt, terwijl Van Beek wel al accessoires als ritsen en knopen had aangeleverd. Totale schade: 35.000 euro, schat Van Beek. ,,Dat is nog te overzien. Maar ik heb een collega die voor acht à negen ton aan geblokkeerde goederen heeft staan.'' In de hele Europese Unie zitten in douane-entrepots meer dan 48 miljoen truien, zeventien miljoen broeken en vier miljoen beha's vast.

Van Beeks bedrijf is een familieonderneming waarin ook twee broers en een zoon werken. De broers Van Beek namen de zaak over van hun vader, die was begonnen in een tijd dat ook Nederland nog een bloeiende textielindustrie kende. Zo verhandelden de Van Beeks de in de jaren zeventig onder middelbare scholieren populaire `legerpukkels' – ,,een product van een familiebedrijfje in Baarn''. Nu komt 85 procent van de kleding – 500.000 stuks per jaar – van Life-Line Bemontex uit China, 13 procent uit andere Aziatische landen en slechts 2 procent uit Europa. Een Europese bestelling doet Van Beek alleen wanneer hij een artikel snel aangeleverd moet hebben.

Terwijl de Zuid-Europese textielindustrie het met zijn prijzen moet afleggen tegen de Chinese concurrenten, excelleren ze op een ander terrein getuige de invoerquota die ze in Brussel hebben weten te bewerkstelligen. ,,De industrielobby is veel beter georganiseerd dan de handelslobby'', erkent Van Beek. Hij voorziet dan ook dat de quota blijvend zijn, en hij is daar opvallend genoeg geen tegenstander van. Integendeel. ,,Het is op zichzelf een goed systeem als je weet waar je aan toe bent. Nu is het hele quotaverhaal plotseling uit de hoge hoed gekomen.''

    • Reinoud Roscam Abbing