Nederland beducht voor beveiligers EU

Nederland wil louche beveiligingsbedrijven kunnen weren, maar stuit daarbij op Europese regelgeving. De markt moet open, maar ,,er zijn te weinig waarborgen''.

De beveiligingsbranche is in heel Europa een groeimarkt die ook steeds internationaler opereert. Maar Nederland schermt de binnenlandse markt af voor een deel van de buitenlandse bedrijven die hier willen opereren. Ten onrechte, zo heeft het Europese Hof van Justitie al meerdere keren uitgesproken in procedures die de Europese Commissie had aangespannen. Het gebeurt niet alleen in Nederland. Ook België legt volgens het Hof ten onrechte concurrentievervalsende voorwaarden aan buitenlandse bedrijven op.

Minister Donner (Justitie, CDA) heeft in reactie op de uitspraken van het Europese Hof inmiddels aangekondigd nog dit jaar de Wet op de particuliere beveiliging en recherchebureaus te zullen aanpassen. Die wet verplicht beveiligingsbedrijven onder meer tot een vergunning. Bovendien moeten zij de politie informeren over hun werkzaamheden, moet het personeel in dienst voldoen aan bekwaamheids- en betrouwbaarheidseisen en moet de lokale korpschef toestemming geven voor indiensttreding van nieuw personeel.

Nederland mag buitenlandse beveiligingsbedrijven geen voorwaarden opleggen als die niet ook al in het land van herkomst bij wet geregeld zijn, zo luidde de uitspraak van het Hof. Als in eigen land al voldaan is aan verplichtingen en controles, mag Nederland dat niet nog een keer overdoen.

Het is een uitspraak die op het ministerie van Justitie, waar aanpassing van de wet wordt voorbereid, voor de nodige hoofdbrekens zorgt. Want per lidstaat van de Europese Unie moet nu worden vastgesteld of de daar geldende regels en wetgeving spoort met die van Nederland. Is dat het geval, dan mogen beveiligingsbedrijven uit die lidstaten niet nog eens in Nederland aan een controleregime onderworpen worden.

,,We houden vast aan de voorwaarden die de Nederlandse wet beveiligingsbedrijven oplegt'', zegt een woordvoerder van het ministerie. ,,Dat gaan we niet overboord zetten. De Nederlandse markt zal dus niet zonder meer toegankelijk worden voor buitenlandse bedrijven. Maar aanpassing van de wet moet er in ieder geval toe leiden dat die bedrijven geen dubbel werk hoeven te doen.''

Uit onderzoek van de Confederation of European Security Services blijkt dat de meeste Europese lidstaten de beveiligingsmarkt aan stringente wetgevings- en vergunningbepalingen onderwerpt, ook de tien lidstaten die onlangs zijn toegetreden tot de Europese Unie. Op Oostenrijk en Duitsland na, kennen alle lidstaten specifieke wetgeving en staan beveiligingsbedrijven onder toezicht van Justitie, Binnenlandse Zaken of de politie. In alle lidstaten mag bewakingpersoneel geen strafblad hebben en geldt een minimumleeftijd van achttien jaar. Alleen een vergunning voor het bezit van vuurwapens verschilt per lidstaat. In Denemarken, Frankrijk, Nederland en Groot-Brittannië is dat verboden. In de andere lidstaten is wapenbezit aan strenge voorwaarden verbonden.

Op papier hoeft Nederland dus nauwelijks beducht te zijn voor buitenlandse beveiligingsbedrijven die ongecontroleerd op de binnenlandse markt opereren, bevestigt W. van Hassel, voorzitter van de Vereniging Particuliere Beveiligingsorganisaties (VPB) in Nederland. ,,Maar papier is geduldig. Landen kunnen prachtige teksten produceren op het gebied van vergunningverlening. In Nederland moet particulier bewakingspersoneel minimaal voldoen aan de basiseisen die aan politieagenten worden gesteld. Wat zijn de waarborgen dat die eisen ook in het buitenland gelden? ''

De VPB komt nog dit jaar met een keurmerk voor beveiligingsbedrijven. ,,Dan weten opdrachtgevers met wat voor bedrijf ze in zee gaan. Op termijn is het de bedoeling dat ook buitenlandse beveiligingsbedrijven voor dergelijke certificering in aanmerking kunnen komen. Dat kan een oplossing brengen. Maar nu zijn er te weinig waarborgen als het gaat om buitenlandse bedrijven, met name als het gaat om bedrijven uit Oost-Europa.''

Toch zal de Nederlandse markt toegankelijk worden voor buitenlandse bedrijven, niet alleen door de uitspraken van het Europese Hof, maar ook door de Europese dienstenrichtlijn (zie inzet) die voor de beveiligingssector geen uitzondering maakt. De VPB heeft daar begin dit jaar wel voor gepleit bij de Sociaal-Economische Raad (SER) die de regering afgelopen juni adviseerde over de uitvoering van de dienstenrichtlijn.

Volgens de VPB opereert de particuliere beveilingsbranche in het publieke domein van openbare orde en veiligheid en zou dat feit een uitzonderingspositie rechtvaardigen. Maar naar aanleiding van een andere uitspraak van het Europese Hof, wees de SER dat argument van de hand. Werkzaamheden van bewakings- of beveiligingsondernemingen vallen niet onder taken die beschouwd moeten worden als een ,,rechtstreekse en specifieke deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag'', aldus het Europese Hof. De SER is het daarmee eens, zo bleek afgelopen zomer in haar eindadvies aan de regering.

    • Jos Verlaan